Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Kwarteltjes
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 15-03-11

Toen kerkvader Hieronymus al lang en breed een streng asceet was, liet hij zich eens in een brief ontvallen dat hij het eten van kwarteltjes zo miste. Zoals nu nog in Rome werd dit gevogelte ook in de vierde-eeuwse Romeinse samenleving, waarin hij was gevormd, onder de lekkernijen gerekend.

Zijn hunkering naar kwarteltjes vinden wij met de kennis van de menselijke psyche die wij nu hebben, volstrekt vanzelfsprekend. Als asceet werd je niet geacht aan exquise hapjes te denken, of
aan vrouwen et cetera. Maar wij weten dat als je iemand iets uitdrukkelijk verbiedt, de onderdrukte verlangens als een boemerang naar je terugkeren. Voor het oprispende verlangen naar
kwarteltjes bij Hieronymus zou dit een verklaring kunnen zijn. En wij zouden uit zijn brieven over kwarteltjes vervolgens kunnen opmaken dat vasten ongezond is en mensen niet in balans blijven
als zij dit overmatig doen.

Toch vasten wij veel in ons land. Om van overgewicht af te komen zijn clubs als de weight watchers er het vleesgeworden bewijs van dat wij ons willen onthouden van overmatig voedsel om juist
letterlijk en figuurlijk weer in evenwicht te komen. Vasten is dus helemaal niet zo ongezond als wij denken na het lezen van de brieven van Hieronymus. Het kan tot evenwicht en geluk leiden.
Wij kunnen hooguit zeggen dat wie het teveel doet, uit balans raakt. In dit opzicht zijn de kwarteltjes van Hieronymus eigenlijk nog heel onschuldig.

Uitgerekend in een passage over het vasten, laat Augustinus in zijn Regel Praeceptum (IV) blijken dat het houden van de juiste maat, zowel in het eten als in het vasten, van het grootste belang
is om gelukkig te worden. Hij past consequent het ne quid nimis-principe toe, dat hij van de stoïcijnen had geleerd. Zijn regel is ook niet alleen ‘maar’ een weg om vrij te worden voor God, dit streven gaat samen met een streven naar evenwicht en geluk zonder welke de voornoemde vrijheid niet mogelijk is. Het vasten ter regulering van lichamelijke verlangens mag bij hem nooit ten koste van de gezondheid gaan. De juiste maat moet worden gehouden en daarom geldt ook als het gaat om het lichaam: niets
te zeer.

In De beata vita stelde Augustinus al expliciet dat de mens rekening moet houden met de maat die de natuur voor het lichaam heeft vastgesteld. Niet eten zorgt voor vermagering; eten zorgt voor groei en versterking (II. 23-24). Ook in het Praeceptum blijkt hij dus geen rigide asceet. Hij sluit zich ook niet aan bij de neiging van Plato en Plotinus om het lichaam te veronachtzamen omdat de zorg om het lichaam af zou leiden van de opgang van de geest tot een hogere graad in het zijn: de situatie waarin
mensen de zijnsdimensie buiten tijd en ruimte al voorvoelen.

Het houden van de juiste maat bij zowel eten als in het vasten dient bij Augustinus voor alles om lichamelijk en geestelijk in evenwicht te zijn. Het vasten is geen doel op zich. Hij houdt zich
ook verre van de ascese van sommige woestijnvaders die elkaar prijzen omdat hun huid al als leer is, omdat zij zo weinig eten en drinken. Maar wetenschappers met vier kilo overgewicht hebben
aan hem ook een slechte, al denken zij waarschijnlijk wat minder aan kwarteltjes. Het is toch interessant dat leefregels die de mens op de weg naar God willen zetten, tegelijk (of juist) richtlijnen
bevatten die naar een leven leiden dat wij heden ten dage als ‘gelukkig’ zouden omschrijven. Je kunt een boodschap aan die weg naar God hebben of niet: een leefregel lezend en levend,
kun je hierdoor tenminste al enigszins gelukkig worden in deze tijd en ruimte. Augustinus zal zich hier van bewust zijn geweest. Vast wel.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.