![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Leugens In een soort Industrieele Club spraken onlangs twee ter zake kundige mannen over de totale ineenstorting van het financiële systeem in ons land. Hoewel deze door massief overheidsingrijpen weliswaar was verhinderd, waren zij ervan overtuigd dat de gevolgen nog lang zouden nawerken. Zij verwonderden zich ook over de onverbeterlijkheid van de mens. Zij hadden alweer geconstateerd dat het oude gedrag de kop op stak. In bepaalde segmenten was men als vanouds wederom voornamelijk op de eigen beloning gericht. Dat onmatigheid onuitroeibaar is en geschiedenissen zich dus Augustinus heeft geen antwoord gegeven op de vraag of verantwoordelijken in systeembanken omwille van het financiële systeem de waarheid soms mogen verdoezelen. En toch is er uit een bepaald werk uitstekend af te leiden wat hij hierover gezegd zou hebben. In zijn tweede werk over de leugen, Contra mendacium, bestrijdt hij de zogenaamde priscillianisten. Zij hingen de gedachten aan dat het geoorloofd was te liegen om een geheim te bewaren en dat liegen soms gerechtvaardigd is, vooral om een religieuze doctrine aan vreemden te openbaren. Hij keurt hun ideeën af. Maar in Contra mendacium overheerst niet de aspiratie om de bedenkelijke kanten van de ‘leer’ van de priscillianisten aan de kaak te stellen. De zorg om de waarachtigheid en integriteit van zijn eigen gelovigen is eigenlijk bepalender voor de toon van het traktaat dan zijn streven om ketterijen te weerleggen. Augustinus hekelt namelijk vooral de manier waarop katholieken de priscillianisten opspoorden. Die vond hij principieel onjuist en weerzinwekkend. Katholieken die zich voordeden als priscillianist om zo tot in hun schuilplaatsen door te dringen achtte hij weerzinwekkender dan leugenachtige priscillianisten. Ook al vindt hij het voortbestaan van de eenheid in de kerk een van de meest belangrijke zaken, katholieken die liegen om deze eenheid te borgen acht hij laakbaar. Zij komen er bij hem slechter vanaf dan de priscillianisten. Augustinus schrijft dat het Schriftwoord ‘Wie waarheid spreekt in zijn hart’ (Psalm 14:3 en 15:2) zeker door katholieken niet mag worden opgevat in de zin dat zij met de mond leugens zouden mogen spreken zolang zij in hun hart de waarheid vasthouden. Hij weet dat dan al gauw verdenkingen zullen vlamvatten in de harten van degenen die de leugenachtige katholieken aanhoren. Wantrouwen is dan het verwoestende gevolg en eenheid blijft ver te zoeken. Ik vermoed dat verdoezelende systeembankiers in het heden door Augustinus op eenzelfde wijze zouden worden bejegend als infiltrerende katholieken in het verleden. Een leugen, hoe klein ook, werkt wantrouwen in de hand; wantrouwen ruïneert iedere relatie en uiteindelijk dus ieder ‘systeem’, of het nu geent is op economische of religieuze waarden. Vertrouwen is als een kwetsbaar plantje, dat in het prille begin door het kleinste druppeltje eerlijkheid wordt gevoed. Dit plantje groeit en bloeit niet als dit druppeltje besmet is door onoprechtheid. Daarom acht Augustinus een leugen onder geen enkele omstandigheid gerechtvaardigd, hoe nobel de bedoelingen erachter ook zijn. |
||
| |