Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Kerkverlating
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 15-02-11

Bijna twee weken geleden maakte de rekenkamer van de Rooms-Katholieke Kerk, het Kaski, bekend dat door de verhalen over het misbruik binnen rooms-katholieke instellingen zich een kwart meer katholieken in 2010 hadden uitgeschreven dan het jaar daarvoor. In totaal werden de namen van 23.000 katholieken uit de ledenadministratie van de parochies geschrapt, vooral die van mensen tussen de twintig en veertig jaar. Ouderen schrijven zich minder snel uit, hoewel toch 18 procent van de katholieken die in 2010 de kerk vaarwel zeiden, ouder is dan 60 jaar. Het gaat dus hard met de teloorgang van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Nu telt zij nog ruim vier miljoen leden, maar het aantal nieuwe leden door de toediening van het doopsel (27.000) is beduidend minder dan het aantal mensen dat door uittredingen door de uitschrijvingen (23.000 dus) en sterfte (50.000) de kerk op aarde verlaat. Per saldo daalt het aantal leden van de Rooms-Katholieke Kerk dus jaarlijks met 40.000 - 50.000.

Naar aanleiding van deze harde cijfers en de onwaarachtigheid van sommige leden van de geestelijkheid werd mij tijdens een forumdiscussie dan ook met enige meewarigheid gevraagd,
waarom ik mij zelf niet liet uitschrijven. Het antwoord is simpel. Het hart heeft zijn redenen die het verstand niet kent, zei filosoof Blaise Pascal. Bovendien hoor ik uitgerekend binnen de muren van de kerk Augustinus zeggen dat het al te gemakzuchtig wegzetten van mensen als slecht, onmogelijk is als men zichzelf in het innerlijk een spiegel heeft voorgehouden.

Omdat mensen zichzelf onvoldoende kennen én er bovendien van moeten uitgaan dat zij niet in staat zijn anderen op aarde volledig op waarde te schatten, is het hun eenvoudig niet toegestaan een vernietigend oordeel over anderen uit te spreken. Dus hebben zogenaamde zondaars ook het recht zich in de gemeenschap van de kerk te bevinden. Met Cyprianus zegt Augustinus dan ook in zijn De baptismo dat men over niemand mag oordelen om vervolgens de veroordeelde van de gemeenschap
te isoleren. Zo tracht hij tolerantie te bewerkstelligen al voordat het woord na de 16e en 17e eeuwse godsdienstoorlogen in Europa de huidige betekenis kreeg. Maar zowel Cyprianus als Augustinus dringen er op aan de ‘slechten’ binnen de gemeenschap wel ernstig te berispen. Verdraagzaamheid houdt geen onverschillig, conflictmijdend, relativistisch en apathisch soort gedogen in. De zondaar mag je in hun idee niet afschrijven, maar de zonde moet je aan de kaak stellen.

Wie dan toch de kerk verlaat, kan bij Augustinus opvallend genoeg op begrip rekenen. Al vóór zijn priesterwijding stelde hij het probleem van de kerkverlating aan de orde. In De vera religione (10-11) bespreekt hij de mogelijkheid dat er zich mensen binnen de kerk bevinden die door hun materialistische levenswijze tot het kaf gerekend moeten worden, en zich buiten de kerk mensen bevinden, die vanwege hun zuiverheid en levensinstelling onmiskenbaar tot het koren (‘frumentum’) behoren. Hij sluit niet uit dat door de verwarringen, die slechte christenen in de kerk stichten, juist de goede mensen uit de gemeenschap worden gedreven. Hij laat in De vera religione overigens in het midden wat hun terugkeer in de kerk onmogelijk maakt.

Verwijzend naar Matteüs 6:4 (‘Jullie vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen’) zegt hij alleen dat deze mensen niet verloren zullen gaan. De kerkverlaters in Augustinus’ tijd zullen uit deze even eerlijke als milde woorden enige bemoediging hebben geput. En zij die bleven? Zij zullen zich achter hun oren gekrabd hebben en de woorden van hun bisschop als een confronterende spiegel
hebben ervaren. Tijdloos zijn kerkvaders als hij. En binnen de muren van de kerk galmen zijn woorden beter na.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.