![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Kerkverlating Bijna twee weken geleden maakte de rekenkamer van de Rooms-Katholieke Kerk, het Kaski, bekend dat door de verhalen over het misbruik binnen rooms-katholieke instellingen zich een kwart meer katholieken in 2010 hadden uitgeschreven dan het jaar daarvoor. In totaal werden de namen van 23.000 katholieken uit de ledenadministratie van de parochies geschrapt, vooral die van mensen tussen de twintig en veertig jaar. Ouderen schrijven zich minder snel uit, hoewel toch 18 procent van de katholieken die in 2010 de kerk vaarwel zeiden, ouder is dan 60 jaar. Het gaat dus hard met de teloorgang van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Nu telt zij nog ruim vier miljoen leden, maar het aantal nieuwe leden door de toediening van het doopsel (27.000) is beduidend minder dan het aantal mensen dat door uittredingen door de uitschrijvingen (23.000 dus) en sterfte (50.000) de kerk op aarde verlaat. Per saldo daalt het aantal leden van de Rooms-Katholieke Kerk dus jaarlijks met 40.000 - 50.000. Naar aanleiding van deze harde cijfers en de onwaarachtigheid
van sommige leden van de geestelijkheid werd mij tijdens een
forumdiscussie dan ook met enige meewarigheid gevraagd, Omdat mensen zichzelf onvoldoende kennen én er bovendien
van moeten uitgaan dat zij niet in staat zijn anderen op aarde
volledig op waarde te schatten, is het hun eenvoudig niet toegestaan
een vernietigend oordeel over anderen uit te spreken.
Dus hebben zogenaamde zondaars ook het recht zich in de gemeenschap
van de kerk te bevinden. Met Cyprianus zegt Augustinus
dan ook in zijn De baptismo dat men over niemand
mag oordelen om vervolgens de veroordeelde van de gemeenschap Wie dan toch de kerk verlaat, kan bij Augustinus opvallend genoeg op begrip rekenen. Al vóór zijn priesterwijding stelde hij het probleem van de kerkverlating aan de orde. In De vera religione (10-11) bespreekt hij de mogelijkheid dat er zich mensen binnen de kerk bevinden die door hun materialistische levenswijze tot het kaf gerekend moeten worden, en zich buiten de kerk mensen bevinden, die vanwege hun zuiverheid en levensinstelling onmiskenbaar tot het koren (‘frumentum’) behoren. Hij sluit niet uit dat door de verwarringen, die slechte christenen in de kerk stichten, juist de goede mensen uit de gemeenschap worden gedreven. Hij laat in De vera religione overigens in het midden wat hun terugkeer in de kerk onmogelijk maakt. Verwijzend naar Matteüs 6:4 (‘Jullie vader, die in het verborgene
ziet, zal je ervoor belonen’) zegt hij alleen dat deze mensen
niet verloren zullen gaan.
De kerkverlaters in Augustinus’ tijd zullen uit deze even eerlijke
als milde woorden enige bemoediging hebben geput. En zij die
bleven? Zij zullen zich achter hun oren gekrabd hebben en de
woorden van hun bisschop als een confronterende spiegel |
||
| |