![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Kwetsbare individuen Een van de meest fascinerende films vind ik Into great silence. Een vier uur durende film, waarin nauwelijks een woord valt, over het dagelijks leven van de kartuizers, de strengste kloosterorde in de Rooms-Katholieke Kerk. In de loop der eeuwen ontkwam geen kloosterorde aan hervormingen – opgelegd door een externe macht, of van binnenuit door leden zelf begonnen omdat het oorspronkelijke charisma teloor was gegaan. Hervormingen zijn in de kerk business as usual. Zo niet bij de kartuizers. ‘Cartusia nunquam reformata, quia nunquam deformata’, schreef paus Innocentius XI in de zeventiende eeuw: ‘De kartuis werd nooit hervormd omdat ze nooit is misvormd’. Ogenschijnlijk hebben kartuizers nauwelijks contact met elkaar. Een kartuizer klooster wordt gevormd uit een aantal afzonderlijke, uiterst sobere huisjes, die door een pandgang met elkaar verbonden zijn. Hier eet de monnik alleen en bidt hij voor het grootste gedeelte van de dag alleen. Het getijdengebed is gemeenschappelijk, maar daarin ontmoeten ze elkaar niet persoonlijk. Kartuizers zijn dus monniken par excellence: het woord ‘monnik’ stamt van het Griekse monos, ‘alleen’. Juist vanwege dit streven naar eenzaamheid en ascese is er vaak kritiek geweest op het monastieke leven. De invloedrijke theoloog Albrecht Ritschl (1822-1889) vond het een funeste afwijking van de oorspronkelijke evangelische idealen. Maar wie het ritueel waarmee iemand in de orde van de kartuizers wordt opgenomen, goed tot zich laat doordringen, moet erkennen dat het monastieke leven minstens één moment kent waarin een weg tot God gezocht en wellicht gevonden wordt. De film toont de kandidaat, die zich heeft uitgestrekt op de grond. Hij is omringd door zijn toekomstige medebroeders. Op de prior na hebben de broeders de kappen over hun hoofd getrokken. Van de uniformiteit die hierdoor ontstaat, gaat niet zozeer saamhorigheid uit, als wel een beklemmende onpersoonlijkheid. Niemand toont zijn gelaat; niemand toont zich als kwetsbaar individu, wat de uitgestrekte monnik wel doet. De uniformiteit lijkt ten koste te gaan van de individualiteit. Zelfs een katholiek die dit waarneemt, wordt Ritschl weer indachtig. Des te verpletterender is het ritueel dat volgt. Als de jonge monnik de geloften heeft uitgesproken, wordt hij door elk van de monniken broederlijk omhelsd. Even daarvóór ontdoet elke monnik zich van zijn kap. Binnen de uniforme gemeenschap toont ineens iedereen zijn ware gezicht. Plotseling blijkt de uniformiteit paradoxalerwijs juist de eigenheid van iedere monnik te accentueren. In deze rite lijkt heel pregnant het dilemma weerspiegeld waarin Augustinus en grote denkers na hem verkeerden. Emmanuel Levinas en Martin Heidegger hadden een grote afkeer van de zogenaamde onto-theologie. Daarin wordt God ‘vastgelegd’ – zonder verwijzing naar concrete ervaringen – als het ‘hoogste zijnde’ of als oorzaak van alles. Heidegger vond dit niets, omdat de confrontatie met Gods onbevattelijkheid zo in de kiem werd gesmoord. Levinas had als bedenking dat de eigenheid van ieder individu teloorging. Alles en iedereen wordt gereduceerd tot wezenlijke, gedeelde kenmerken. Levinas pleitte ervoor juist de ontmoeting met de concrete ander te zien als vindplaats van de Waarheid. Zoals in het ritueel van de kartuizers de individualiteit van de ander werd geaccentueerd en deze, heel intens in zijn eigenheid, kon worden gezien en ontmoet. Ook Augustinus betoonde zich niet bepaald een voorloper van de onto-theologie. Hij trachtte God wel in het domein van het ‘zijn’ te verklaren, maar dan wel als Iemand die zodanig ‘is’ dat stervelingen zich er geen voorstelling van kunnen maken. Eenmaal de vijftig gepasseerd, verbindt hij in zijn In epistolam Johannis ad Parthos het ‘zien’ van God zelfs aan de liefde die aan de ontmoeting van mensen ten grondslag kan liggen: ,,Niemand mag zich een idee van God vormen … want dan gaat men zich God voorstellen als een ontzaglijk wezen … ofwel … als een eerbiedwaardige grijsaard. Als u God wilt zien, hebt u één gegeven om u een idee van hem te vormen: ‘God is liefde’. Maar niemand kan zeggen welk gelaat, welke vorm, welke gestalte, welke voeten of welke handen de liefde heeft ... Toch heeft zij handen, want die strekken zich uit naar de armen.’’ De kartuizer, Levinas en Augustinus willen zo, elk op hun eigen wijze, gevoeligheid bewerken voor mensen die wij ontmoeten. Dat is geen doel op zichzelf; het is een weg naar een Persoon die onze werkelijkheid overstijgt. Aan het begin van het collegejaar neem ik mij stellig voor iedereen die ik ontmoet te ontdoen van de kap die wij gewoon zijn te dragen in het maatschappelijk verkeer. Ik ben heel benieuwd wie, o Wie ik mag ontmoeten. Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Amsterdam en Tilburg, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk. |
||
| |