Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Voetbal en emoties
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 13-07-10

Onvoorstelbaar is de aantrekkingskracht van wereldkampioenschappen voetbal op ons. Dat is de afgelopen weken wel bewezen. Zelfs op faculteiten der godgeleerdheid werden op momenten dat Nederland speelde, televisieschermen opgesteld en staakte de intellectuele arbeid. Al even wonderlijk is de wijze waarop wij als het ware in de wedstrijden werden ‘gezogen’ om vervolgens momenten van
onbeheerste emotie te kennen, bijvoorbeeld toen ‘wij’ dankzij Robben eergisteren de wereldtitel voor het grijpen leken te hebben. Het mocht helaas niet zo zijn.

De kracht van voetbal oefent zelfs invloed uit op mensen van wie je totaal niet zou verwachten dat ze er bevattelijk voor zijn. Tijdens het vorige WK was ik met bisschop Tiny Muskens in Rome. Bij uitzondering mocht ik logeren in het Domus Sanctae Marthae, het huis waar bisschoppen logeren als ze in Rome zijn, en kardinalen als zij in conclaaf een nieuwe paus moeten kiezen. Het was daar buitengewoon rustig, behalve in de televisiekamer als er een voetbalwedstrijd aan de gang was. Dan waren vele bisschoppen daar in hemdsmouwen bijeen en juichten alsof hun leven ervan afhing.

In zijn boek Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum constateert Fik Meijer eenzelfde dynamiek in het Romeinse rijk. De zuigkracht van de gladiatorenshows, gevechten van mens tegen dier en de terechtstellingen van misdadigers moet destijds immens zijn geweest. Geleerden konden geen verklaring vinden voor die donkere kant van de Romeinse beschaving. De arena’s waren martelkamers, menselijke slachthuizen. Hoe konden mensen hierdoor zo in vervoering komen? De fascinatie voor voetbal bewijst dat er een civilisatieproces heeft plaatsgevonden. Op enkele hooligans na, zijn wij andere criteria ten aanzien van menselijk leven gaan hanteren. Het christendom gaf hieraan overigens de belangrijkste impuls.

Schokkend is dan de observatie die Augustinus in zijn Belijdenissen (6.8.13) heeft opgetekend. Zijn geletterde en kuise vriend Alypius ging volledig op in de gladiatorenspelen. Eerst slaat hij de uitnodiging van vrienden deze spelen bij te wonen nog af. Als hij toch meegaat, houdt hij zijn ogen gesloten. Maar dan valt de latere bisschop van Thagaste een schokkende gewaarwording ten deel. De
geluiden om hem heen maken dat hij de controle over zichzelf volledig kwijtraakt en zo gefascineerd raakt door het bloederige volksvermaak, dat hij later ook anderen uitnodigt mee te gaan. Gelukkig raken bisschoppen in Santa Martha, gelegen op de Vaticaanse heuvel waar ooit het Circus van Nero stond, vandaag meer in vervoering van voetbal dan van gladiatorengevechten. Ook aan de meesten van hen is het civilisatieproces gelukkig niet voorbij gegaan.

Na een subtiele berisping van Augustinus verandert Alypius onmiddellijk en zonder morren zijn gedrag. Maar Augustinus maakt zijn punt: zelfs beschaafde mensen van goede wil zijn gemakkelijk in vervoering te brengen door de invloed van omstanders. Daar wist Augustinus zelf alles van. In het tweede boek van de Belijdenissen vertelt hij hoe hij in zijn jeugd met een aantal vrienden – hangjongeren – peren stal. Alleen zou hij dat nooit hebben gedaan. Maar de kracht van de groep sleepte hem mee. De goede wil alléén blijkt niet genoeg. Mensen zijn overgeleverd aan de genade van elkaar. Stemmen zij elkaar af op de golflengte waarin het goede doen en het goede willen samenvallen, dan raken zij bevangen door een Schoonheid in het leven die zijn weerga niet kent.

Augustinus zou aan het voetbalspel als uitlaatklep zeker de voorkeur hebben gegeven boven de gladiatorenstrijd. Maar zowel in de Belijdenissen als in De Stad Gods houdt hij zijn publiek wél voor dat handelingen die uitsluitend voortkomen uit emoties als woede, uitzinnige vreugde of triestheid, niet goed zijn. Vaak veroorzaken zij ravages. Pas als ze door de ratio zijn ingeordend, kunnen zij vruchtbaar zijn: dan wordt triestheid de opmaat tot zelfreflectie bijvoorbeeld. Tristitia, zegt Augustinus zelfs, wordt geschonken door God opdat de mens zich voor verder kwaad behoedt en er zelfs niet even aan denkt. Augustinus is dus geen stoïcijn. Hij vindt juist niet dat alle emoties moeten worden uitgebannen opdat de rede kan regeren. De overwinning op de pathè, de apatheia, acht hij later een anomalie (of onregelmatigheid). Dat is goed nieuws voor voetballiefhebbers. Wie gevoelloos naar een
voetbalwedstrijd kijkt, mist een kans tot zelfinzicht te komen.

Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Amsterdam en Tilburg, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.