|
Moed en ongeduld
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 22-06-10
Moed is een deugd die vaak in verband wordt gebracht
met de heldhaftigheid van militairen. Aristoteles
omschreef moed als de bereidheid van krijgers in de strijd
letsel op te lopen. Op het ridderkruis van de Militaire (!)
Willemsorde staat de reden waarom deze onderscheiding
verleend wordt: ‘voor moed, beleid en trouw’.
De Engelse schrijver G.K. Chesterton legde de nadruk op
een ander aspect. Hij herinnerde zijn lezers eraan dat zij
allen hun bestaan te danken hadden aan de moed van hun
moeders, die negen maanden zwangerschap hadden doorstaan
en hen met pijn hadden gebaard. Voor hem had
moed veel meer te maken met volharding: de volharding
van leraren die op scholen in arme wijken ondanks intimidatie
toch maar steeds weer proberen het beste uit hun
leerlingen te halen. Moed is ook de deugd van partners,
die geconfronteerd worden met ziekte maar daarbij niet
van elkaars zijde wijken. Moed staat voor hem meer in het
teken van volhouden, van volharding; van geduld dus ook.
Het ‘rijke Westen’ wordt in het algemeen gekenmerkt
door een hoge mate van ongeduld. Wij kunnen moeilijk
wachten. Als de trein vijf minuten te laat is, haast een
omroepster zich met een verklaring te komen. Van de
meeste groenten weten wij niet meer aan welk seizoen ze
gebonden zijn. Dit typeert onze levenshouding wellicht:
wij verwachten eigenlijk ook dat wij meteen alles in de
supermarkt kunnen krijgen waar we zin in hebben en het
hele jaar asperges kunnen eten. Er moeten vele (extra)
vliegbewegingen worden gemaakt om ons direct te voorzien
van alle groenten en vruchten die wij wensen. Wij,
consumenten, willen eigenlijk nergens op wachten – zelfs
niet op boeken uit de bibliotheek die over tijd en eeuwigheid
gaan.
Vorige week gaf ik in Oxford wat gastcolleges en tijdens
een van de vrije uren gaf een student uit India te kennen
dat hij zich ergerde aan ons westerse ongeduld. Als in zijn
land een trein vertraging had, was het er een van een dag
of meer. Dan restte het wachten. No big deal. In zijn land
wachten ook veel meer mensen op een baan, op een
rechtvaardiger samenleving. Waar het hier in het rijke
Westen aan ontbrak, vond hij, was het vermogen te wachten.
En in het verlengde daarvan: aan het vermogen te
volharden in loyaliteit in tijden waarin mensen niet langer
meer enkel plezier kunnen maken of in welbevinden het
leven gestalte kunnen geven. Hij had waardering gekregen
voor de mensen in zijn eigen land. Op eigen kracht kunnen
de meeste inwoners daar onmogelijk wegvluchten
van hun zorgelijke bestaan. Maar zij staan zichzelf niet toe
dan maar bij de pakken neer te gaan zitten of zich te verliezen
in ongeduld. Volharding was voor hem: levensvreugde
niet teloor laten gaan door tegenslagen die het
leven tekenen. Dat is dus veel meer dan ‘ slechts’ overleven.
Als Augustinus zich op een gegeven moment genoodzaakt
ziet over volharding na te denken, dan benadrukt hij iets
onverwachts. In De dono perseverantiae (‘De gave van de
volharding’) schrijft hij dat volharding tot het einde een
gave is van God. Zij is zelfs het fundament voor vergeving,
liefde en geloof die op hun beurt ook aan mensen wordt
geschonken. Ook de volharding herleidt hij dus tot Gods
genade.
Augustinus’ visie stuitte op nogal wat tegenstand bij grote
groepen monniken. Zij vatten het leven op als een strijd,
waarin mensen zélf, op eigen kracht, moesten volharden
in het elimineren van gebreken en het cultiveren van
deugden. Volharding als gave te zien, betekende volgens
hen dat hun eigen inspanningen er niet toe deden. Zij konden
dus net zo goed onder een boom gaan zitten, omdat
het niet van henzelf afhing of zij de strijd tegen de gebreken
met moed, beleid en trouw zouden kunnen aangaan.
Augustinus gaat er dus ook bij de geduldige volharding,
zoals bij de liefde, van uit dat mensen deze niet op eigen
kracht kunnen opbrengen. Zij geven door, en geven concreet
gestalte aan, wat zij eerst hebben ontvangen en
waardoor zij zijn gevormd. En waardoor zij goede of
slechte mensen zijn geworden. Pas als zij liefde hebben
ontvangen, gevormd zijn door mensen die hun ongeduld
in toom kunnen houden of hun levensvreugde niet teloor
laten gaan door tegenslagen, zullen zij deze deugden kunnen
doorgeven.
Augustinus herleidt deze dynamiek tussen mensen tot
Degene die hen geschapen heeft. Maar waar de gave van
de volharding overvloeit in de ontwikkeling van deze
deugd op eigen kracht, laat hij wijselijk in het midden.
God is voor hem geen soldaat die mensen ‘van buitenaf’
bevrijdt.
|