Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Moed en ongeduld
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 22-06-10

Moed is een deugd die vaak in verband wordt gebracht met de heldhaftigheid van militairen. Aristoteles
omschreef moed als de bereidheid van krijgers in de strijd letsel op te lopen. Op het ridderkruis van de Militaire (!) Willemsorde staat de reden waarom deze onderscheiding verleend wordt: ‘voor moed, beleid en trouw’. De Engelse schrijver G.K. Chesterton legde de nadruk op een ander aspect. Hij herinnerde zijn lezers eraan dat zij allen hun bestaan te danken hadden aan de moed van hun moeders, die negen maanden zwangerschap hadden doorstaan en hen met pijn hadden gebaard. Voor hem had moed veel meer te maken met volharding: de volharding van leraren die op scholen in arme wijken ondanks intimidatie toch maar steeds weer proberen het beste uit hun leerlingen te halen. Moed is ook de deugd van partners, die geconfronteerd worden met ziekte maar daarbij niet van elkaars zijde wijken. Moed staat voor hem meer in het teken van volhouden, van volharding; van geduld dus ook. Het ‘rijke Westen’ wordt in het algemeen gekenmerkt door een hoge mate van ongeduld. Wij kunnen moeilijk wachten. Als de trein vijf minuten te laat is, haast een omroepster zich met een verklaring te komen. Van de meeste groenten weten wij niet meer aan welk seizoen ze gebonden zijn. Dit typeert onze levenshouding wellicht: wij verwachten eigenlijk ook dat wij meteen alles in de supermarkt kunnen krijgen waar we zin in hebben en het hele jaar asperges kunnen eten. Er moeten vele (extra) vliegbewegingen worden gemaakt om ons direct te voorzien van alle groenten en vruchten die wij wensen. Wij, consumenten, willen eigenlijk nergens op wachten – zelfs niet op boeken uit de bibliotheek die over tijd en eeuwigheid gaan.

Vorige week gaf ik in Oxford wat gastcolleges en tijdens een van de vrije uren gaf een student uit India te kennen dat hij zich ergerde aan ons westerse ongeduld. Als in zijn land een trein vertraging had, was het er een van een dag of meer. Dan restte het wachten. No big deal. In zijn land wachten ook veel meer mensen op een baan, op een rechtvaardiger samenleving. Waar het hier in het rijke Westen aan ontbrak, vond hij, was het vermogen te wachten. En in het verlengde daarvan: aan het vermogen te
volharden in loyaliteit in tijden waarin mensen niet langer meer enkel plezier kunnen maken of in welbevinden het leven gestalte kunnen geven. Hij had waardering gekregen voor de mensen in zijn eigen land. Op eigen kracht kunnen de meeste inwoners daar onmogelijk wegvluchten van hun zorgelijke bestaan. Maar zij staan zichzelf niet toe dan maar bij de pakken neer te gaan zitten of zich te verliezen in ongeduld. Volharding was voor hem: levensvreugde niet teloor laten gaan door tegenslagen die het leven tekenen. Dat is dus veel meer dan ‘ slechts’ overleven.

Als Augustinus zich op een gegeven moment genoodzaakt ziet over volharding na te denken, dan benadrukt hij iets onverwachts. In De dono perseverantiae (‘De gave van de volharding’) schrijft hij dat volharding tot het einde een gave is van God. Zij is zelfs het fundament voor vergeving, liefde en geloof die op hun beurt ook aan mensen wordt geschonken. Ook de volharding herleidt hij dus tot Gods
genade.

Augustinus’ visie stuitte op nogal wat tegenstand bij grote groepen monniken. Zij vatten het leven op als een strijd, waarin mensen zélf, op eigen kracht, moesten volharden in het elimineren van gebreken en het cultiveren van deugden. Volharding als gave te zien, betekende volgens hen dat hun eigen inspanningen er niet toe deden. Zij konden dus net zo goed onder een boom gaan zitten, omdat
het niet van henzelf afhing of zij de strijd tegen de gebreken met moed, beleid en trouw zouden kunnen aangaan. Augustinus gaat er dus ook bij de geduldige volharding, zoals bij de liefde, van uit dat mensen deze niet op eigen kracht kunnen opbrengen. Zij geven door, en geven concreet gestalte aan, wat zij eerst hebben ontvangen en waardoor zij zijn gevormd. En waardoor zij goede of slechte mensen zijn geworden. Pas als zij liefde hebben ontvangen, gevormd zijn door mensen die hun ongeduld in toom kunnen houden of hun levensvreugde niet teloor laten gaan door tegenslagen, zullen zij deze deugden kunnen doorgeven.

Augustinus herleidt deze dynamiek tussen mensen tot Degene die hen geschapen heeft. Maar waar de gave van de volharding overvloeit in de ontwikkeling van deze deugd op eigen kracht, laat hij wijselijk in het midden. God is voor hem geen soldaat die mensen ‘van buitenaf’ bevrijdt.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.