![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Lichaamstaal Als wij met elkaar praten, treedt een ingewikkeld proces in werking. Allereerst formuleren wij zinnen volgens de regels van de grammatica, in de gebiedende of vragende wijs bijvoorbeeld. Structureren wij een zin niet goed, dan vragen onze toehoorders zich af of zij ons wel goed begrijpen. Vervolgens hebben we een bedoeling met het uitspreken of neerschrijven van een zin. We beantwoorden bijvoorbeeld een vraag en verschaffen zo inzicht en helderheid in een bepaalde kwestie. Maar dit is nog niet alles. De Amerikaanse taalfilosofen John Austin en John Searle werkten de gedachte uit dat taaluitingen ook een vorm van handelen zijn. Zij hebben effect op de gedachten, woorden, daden en gevoelens van anderen. Als ik aan dochter Isabel vraag of ze mij mijn sleutels kan geven, kan zij volstaan met ‘ja’ te zeggen. Een meisje van acht kan dat inderdaad. Toch hapert er dan iets in de communicatie, omdat ik haar eigenlijk uitnodig een handeling te verrichten. En als haar moeder tegen haar en haar zusje Sophie zegt dat ze van hen houdt, dan verwacht zij natuurlijk niet dat de kindjes dit ‘slechts’ ter kennisgeving aannemen. Zij verwacht dat deze mededeling iets in hen bewerkt: dat zij zich geliefd weten en daardoor gelukkiger in het leven komen te staan, bijvoorbeeld. Verbale communicatie is dus best complex. Misverstanden zijn snel geboren. En dit is nog niet alles. Als wij woorden uitspreken, dan geven wij ook signalen af waaruit onze toehoorder een schat aan informatie kan afleiden. Als ik zeg dat ik blij ben, maar chagrijnig kijk, dan gelooft niemand wat ik zeg. Of als ik mensen van mijn gelijk probeer te overtuigen met de armen over elkaar, en hen niet aankijk, dan zal ik waarschijnlijk niet slagen. Mensen reageren op onze ‘lichaamstaal’ vaak meer dan op onze woorden. Als iemand zijn woorden tegenspreekt door zijn lichaamstaal, dan wordt zijn non-verbale boodschap haast altijd als de meest ware opgevat. De Amerikaanse psycholoog Albert Mehrabian stelde vast dat als mensen gevoelens uiten, woorden het communicatieproces voor zeven procent bepalen, de klankkleur in de stem voor 38 procent en de lichaamstaal voor 55 procent. Lichaamstaal kan ook veel effectiever zijn: een vriendelijk knikje met het hoofd zegt vaak meer dan een verklaring waarin men iemand het beste toewenst. Menselijke communicatie brengt dus problemen met zich, omdat de mogelijkheid tot dubbelzinnigheid, onhelderheid, misleiding er van nature in besloten ligt. Afrekenend met zijn eigen verleden, omschrijft Augustinus
de laat-antieke retorica als een bedrieglijk vak. Alle
vleierij, mooipraterij, alle zogenaamde geleerdheid schept
een misplaatst vertrouwen in sprekers, omdat zij ten
diepste op zichzelf gericht zijn. Verbale communicatie kan
gemakkelijk bedriegen. Het is dan ook niet verwonderlijk
dat Augustinus taal als een kwalijk gevolg van de zondeval In dit licht komt de taal er slecht af. Voor de oorspronkelijke mens was zij totaal overbodig, stelt Augustinus. Spreken gaat ook met de nodige moeite gepaard. Je moet lucht verplaatsen, articuleren, naar woorden zoeken. En verbale communicatie houdt altijd iets tragisch, omdat de volledige intuïtie er maar bij benadering in omschreven wordt. Het is zelfs nog erger: taal stelt de mensen in staat te liegen, waardoor zij verwijderd raken van zichzelf, van anderen en, als in één beweging, van God. Met afstand is taal dus second best. Waar oren en ogen nodig zijn om de waarheid te bemiddelen, is de kans op ruis, afleiding en bedrog veel groter dan wanneer de communicatie nonverbaal zou zijn. Zelfs de Heilige Schrift is dus een gebrekkig medium, dat vóór de zondeval niet nodig zou zijn geweest. Toen konden mensen zichzelf, anderen en God direct ‘lezen’ en waren woorden, zelfs van Godswege, volstrekt overbodig. Toch is het allemaal niet zo somber gesteld in deze onverloste en onvolmaakte wereld – althans voor mensen die elkaar zo goed kennen, dat zij aan één blik genoeg hebben om te weten hoe het met de ander is gesteld. Of zij zich er nu van bewust zijn of niet: in hun communicatie gloort het paradijs. Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Amsterdam en Tilburg, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk. |
||
| |