![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Nooit liegen In tijden waarin politici hun zetel niet zeker zijn en met het zweet in de handen hun best doen (weer) verkozen te worden, dwalen mijn gedachten regelmatig af naar een discussie die in de eerste eeuwen van het christendom werd gevoerd. Aanvankelijk heerste de gedachte dat in een aantal omstandigheden een leugentje om bestwil was geoorloofd. Enige woestijnvaders stonden bijvoorbeeld toe dat er werd gelogen uit liefde voor degene tegen wie men loog. Over het algemeen had Augustinus deze mannen zeer hoog. Maar in zijn eerste werk over de leugen, De mendacio, gaat hij behoorlijk tegen hen in. Aan de ene kant deelt hij met hen de gedachte dat in het
godsdienstonderricht niet mag worden gelogen. En ook
Augustinus vindt dat leugens waarmee iemand onrechtvaardig
bejegend wordt, of leugens waarbij de een baat
heeft maar de ander geschaad wordt, laakbaar. Ook leugens
waaraan een genoegen in liegen en bedriegen ten
grondslag ligt, zijn in deze eerste eeuwen van het christendom Maar Augustinus wil radicaal breken met het leugentje om bestwil. Hij veroordeelt zelfs de leugen die niemand schaadt en wel iemand baat. Bijvoorbeeld wanneer iemand weet waar andermans geld ligt, maar op de vraag van een potentiële dief zegt dat hij het niet weet. Zelfs iemand die liegt omdat hij een ter dood veroordeelde, schuldig of onschuldig, niet wil verraden, acht Augustinus laakbaar. Natuurlijk is hij zich er zeer van bewust dat de veroordeling
van deze laatste leugens stof doet opwaaien. Toch
blijft hij zijn leven verdedigen dat een leugen nooit te
rechtvaardigen is. Tegen de priscillianisten zal hij veel
later in Contra mendacium (‘Tegen de leugen’) schrijven,
dat je nooit mag liegen om een geheim te bewaren en dat
liegen om zieltjes te winnen volstrekt immoreel is. Dat is Wat is een leugen voor Augustinus? Zijn definitie is glashelder:
"Diegene liegt die het ene in zijn hoofd heeft en
het andere in woorden of met andere communicatiemiddelen
uitdraagt’’ (De mendacio 3.3.) De intentie is dus van
doorslaggevend belang. Iemand moet menen dat het waar
is wat hij of zij zegt. Mensen die onwaarheid spreken zonder
het te weten, kunnen dus niet als leugenaars worden Politici wilde Weber overigens vooral beoordelen aan de
hand van de criteria van de Verantwortungsethik. De politicus
wordt afgerekend op wat hij met zijn daad bewerkt,
niet op de drijfveer die eraan ten grondslag ligt. Dat laatste
gaat Augustinus niet ver genoeg. In zijn Stad Gods Maar waarom dan toch die rigiditeit bij het leugentje om
bestwil? Eigenlijk geeft Augustinus in beide tractaten zelf
al te kennen dat het rigide is niet toe te staan te liegen om
bijvoorbeeld een onschuldige te vrijwaren van doodstraf.
Hij geeft aan dat hij grote problemen zou ondervinden in
een dergelijk dilemma. Maar dat laatste is voor hem geen
reden de hoge maatstaf aan zichzelf aan te passen. Paul van Geest is hoogleraar patristiek in Amsterdam (VU) en Tilburg. Hij schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk. |
||
| |