Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Nooit liegen
Paul van Geest, 08-06-10, Nederlands Dagblad

In tijden waarin politici hun zetel niet zeker zijn en met het zweet in de handen hun best doen (weer) verkozen te worden, dwalen mijn gedachten regelmatig af naar een discussie die in de eerste eeuwen van het christendom werd gevoerd. Aanvankelijk heerste de gedachte dat in een aantal omstandigheden een leugentje om bestwil was geoorloofd. Enige woestijnvaders stonden bijvoorbeeld toe dat er werd gelogen uit liefde voor degene tegen wie men loog. Over het algemeen had Augustinus deze mannen zeer hoog. Maar in zijn eerste werk over de leugen, De mendacio, gaat hij behoorlijk tegen hen in.

Aan de ene kant deelt hij met hen de gedachte dat in het godsdienstonderricht niet mag worden gelogen. En ook Augustinus vindt dat leugens waarmee iemand onrechtvaardig bejegend wordt, of leugens waarbij de een baat heeft maar de ander geschaad wordt, laakbaar. Ook leugens waaraan een genoegen in liegen en bedriegen ten grondslag ligt, zijn in deze eerste eeuwen van het christendom
unaniem als verwerpelijk afgedaan, evenals leugens uit behaagzucht via mooie praatjes. Psychologen
hebben aangetoond dat wij, als wij ons verbaal uiten, minstens zes keer per uur liegen. Deze opsomming uit het verleden blijft dus een prachtige spiegel.

Maar Augustinus wil radicaal breken met het leugentje om bestwil. Hij veroordeelt zelfs de leugen die niemand schaadt en wel iemand baat. Bijvoorbeeld wanneer iemand weet waar andermans geld ligt, maar op de vraag van een potentiële dief zegt dat hij het niet weet. Zelfs iemand die liegt omdat hij een ter dood veroordeelde, schuldig of onschuldig, niet wil verraden, acht Augustinus laakbaar.

Natuurlijk is hij zich er zeer van bewust dat de veroordeling van deze laatste leugens stof doet opwaaien. Toch blijft hij zijn leven verdedigen dat een leugen nooit te rechtvaardigen is. Tegen de priscillianisten zal hij veel later in Contra mendacium (‘Tegen de leugen’) schrijven, dat je nooit mag liegen om een geheim te bewaren en dat liegen om zieltjes te winnen volstrekt immoreel is. Dat is
dan nog begrijpelijk, maar Augustinus wil ook niet weten van leugens waarbij anderen juist baat lijken te hebben. Waarom die rigiditeit?

Wat is een leugen voor Augustinus? Zijn definitie is glashelder: "Diegene liegt die het ene in zijn hoofd heeft en het andere in woorden of met andere communicatiemiddelen uitdraagt’’ (De mendacio 3.3.) De intentie is dus van doorslaggevend belang. Iemand moet menen dat het waar is wat hij of zij zegt. Mensen die onwaarheid spreken zonder het te weten, kunnen dus niet als leugenaars worden
bestempeld. Zij hebben hooguit te weinig nagedacht. In het licht van Max Webers Politik als Beruf zou Augustinus als voorloper van de Gesinnungsethik gekarakteriseerd moeten worden. Voor die stroming zijn het motief, de drijfveren en de levenshouding die aan het handelen ten grondslag liggen, de belangrijkste criteria voor de beoordeling ervan.

Politici wilde Weber overigens vooral beoordelen aan de hand van de criteria van de Verantwortungsethik. De politicus wordt afgerekend op wat hij met zijn daad bewerkt, niet op de drijfveer die eraan ten grondslag ligt. Dat laatste gaat Augustinus niet ver genoeg. In zijn Stad Gods
wordt duidelijk dat hij juist voor politici een goed inzicht in hun drijfveren noodzakelijk acht, omdat zelfs als hun daden goed zijn, de ‘ruis’ van slechte drijfveren blijft doorwerken en uiteindelijk een funeste uitwerking zal hebben. Hoe goed acht hij keizer Theodosius, die zich ervan
bewust is dat hij klein moet worden om anderen groot te
maken.

Maar waarom dan toch die rigiditeit bij het leugentje om bestwil? Eigenlijk geeft Augustinus in beide tractaten zelf al te kennen dat het rigide is niet toe te staan te liegen om bijvoorbeeld een onschuldige te vrijwaren van doodstraf. Hij geeft aan dat hij grote problemen zou ondervinden in een dergelijk dilemma. Maar dat laatste is voor hem geen reden de hoge maatstaf aan zichzelf aan te passen.
Dat hangt samen met zijn overtuiging dat wie de waarheid niet spreekt, ook nooit afgestemd zal raken op de golflengte waarop de Waarheid met een hoofdletter wordt ontvangen. Voor de neo-platonisten in zijn tijd was de Waarheid een onaantastbare Idee, dat mensen, tijd en ruimte overstijgt. Voor Augustinus is het Iemand, die mens is geworden en tegelijk mensen, tijd en ruimte onbegrijpelijk overstijgt. De waarheid spreken betekent deze Waarheid ontmoeten. Daarom is het voor hem uitgesloten dat mensen door leugens de wereld verbeteren.

Paul van Geest is hoogleraar patristiek in Amsterdam (VU) en Tilburg. Hij schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.