Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Antenne
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 25-05-10

Voor een aantal directeuren van een groot bedrijf werd een tijdje geleden een reeks gesprekssessies belegd. Doel hiervan was hen te laten bezien of het leiderschapsmodel van dit bedrijf wel aansloot bij hun eigen ideeën en drijfveren. Aan een van de facilitators maakte een deelnemer na de eerste sessie een compliment, dat deze moeilijk kon plaatsen. Zij was hem dankbaar dat hij in het ‘drijfverenpalet’
zo duidelijk twee delen had geschetst. Daar had zij veel aan gehad, omdat zij tot het inzicht was gekomen dat zij zich in haar leven op een breukvlak bevond. De gespreksleider was haar dankbaar, maar ook verbaasd. Hij had ‘slechts’ zijn verhaal in twee delen willen opbouwen en omwille van de helderheid dit ook zo aangekondigd. Meer dan een aankondiging van de structuur in zijn betoog had hij niet willen maken!

Dit ‘gelukkige misverstand’ gaf hem te denken. Kennelijk had de directeur uit zijn woorden iets gehaald wat hem volstrekt niet voor ogen had gestaan. Voor Augustinus staat vast dat een spreker of een predikant duidelijk moet zijn. Maar uit preek 23 valt af te leiden dat hij de plank volledig misslaat: een deel van zijn gehoor kan hem niet volgen. Er ontstaat geroezemoes, omdat het begrijpende deel van het kerkvolk het andere deel de kern van Augustinus’ betoog gaat uitleggen. Daarom haast hij zich te zeggen dat hij opnieuw begint. Maar hij ontwikkelt ook een andere gedachte. Woorden uit de mond van de predikant of leraar, schieten tekort. Het is Christus, als innerlijke leermeester (magister interior), die in de ziel van de toehoorder vruchten voortbrengt die de predikant of facilitator niet heeft voorzien of beoogd (sermo 102, 153 etc.).

Is dit geen retorische strategie? Schuift Augustinus de verantwoordelijkheid voor zijn eigen woorden hier niet van zich af? Of verheft hij zich juist niet, omdat hij zichzelf regelrecht in het verlengde van God als leraar duidt? Dat de kracht van uitgesproken woorden relatief is en bij iedereen een ander proces in werking zet, was geen nieuw inzicht. Socrates had al tegen Meno gezegd dat het geen zin heeft als twee mensen naar de betekenis van een woord zoeken dat zij beiden niet kennen. Mensen kunnen
niet zoeken naar wat zij weten: dan hoeven zij niet te zoeken. Zij kunnen ook niet zoeken naar wat zij niet weten: dan weten zij niet wat zij moeten zoeken. Daarom denkt Socrates dat kennisverwerving de herinnering van kennis behelst uit een eerder leven. Wat bij Socrates de herinnering is, is voor Augustinus de innerlijke leermeester (magister interior), die onze geest leidt en maakt dat uitgesproken woorden van derden hun – onvoorziene – uitwerking krijgen.

Mensen uit ons verleden werken in ons innerlijk door. Wie goede leermeesters heeft gehad en op hen is afgestemd gebleven, krijgt ingevingen bij het horen van bepaalde woorden, die voor anderen niet zijn weggelegd, al horen zij hetzelfde. De filosoof en musicus Ervin Laszlo heeft eens geschreven dat het brein werkt als een antenne. Wie zijn antenne bijstelt, kan ook andere zenders ontvangen dan de in het dagelijkse leven gebruikelijke. Als hijzelf piano speelde, raakte hij anders ‘afgesteld’ dan wanneer hij studeerde. Er ontstond een vrije stroom van gedachten, ideeën en ingevingen.

Als Augustinus over Christus als innerlijke leermeester spreekt, dan stelt hij geen bipolair, maar een driehoekig communicatiemodel voor. In de tijden van Schriftlezing en gebed raakt men ook ‘afgesteld’ op de innerlijke leermeester. Dan blijven er ook in het dagelijks leven inzichten mogelijk die door uitgesproken woorden zijn ingegeven en die men voorheen voor onmogelijk hield.

Maar er is meer. Als Augustinus spreekt over Christus als de eigenlijke leermeester, wil hij vooral duidelijk maken dat de inzichten waartoe de predikant of facilitator een aanzet geeft, geschonken worden. Mensen verlichten zichzelf niet, maar worden verlicht, soms op wonderlijke wijze. Als het goed is, stemt dit inzicht hen tot deemoed en dankbaarheid tegelijk.

Als de kerkvader de werkzaamheid van de predikant dus relativeert ten gunste van die van de magister interior, weerspiegelt dat zijn overtuiging dat alles – inzicht en vermogen tot inzicht – te herleiden is tot Gods ondoorgrondelijke genade. En de facilitator? Om de groepsdynamiek niet te zeer te verstoren, moet hij wellicht in de volgende sessies niet alles in Augustinus’ geest willen verklaren. Maar je weet
nooit wat hem en de directeuren wordt ingegeven.

Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Tilburg en Amsterdam, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.