![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Voorlezen Wie kleine kinderen voor het slapen gaan uit de Bijbel wil
voorlezen, kan daar behoorlijk gnostisch van worden. De
vroege christenen die onder de verzamelnaam ‘gnostici’
de geschiedenis zijn ingegaan, wilden het Oude en het
Nieuwe Testament niet met elkaar in verband zien. Volgens
de manicheeërs bijvoorbeeld waren er in het Oude
Testament te veel passages die in strijd waren met de leer
van Christus om van een en eenzelfde God afkomstig te
zijn. De God die in het Oude Testament werd geopenbaard,
achtten zij lager dan de God die zichzelf in het
Nieuwe meedeelde. De manicheeër Adimantus, aldus
Augustinus in Contra Adimantum, dacht bijvoorbeeld dat
de God van het Oude Testament zich in het boek Exodus
als jaloers betoonde, terwijl de Heer in het evangelie aanspoorde Toch lijken de verhalen uit het Oude Testament minder
geschikt voor jeugdige luisteraars dan bijvoorbeeld de
parabels uit het Nieuwe. Het scheppingsverhaal is geweldig.
Maar bij Kain en Abel gaat het al mis, hoe leuk de
plaatjes in de meeste kinderbijbels ook zijn. In de versie
van Dick Bruna gaat het verhaal van de ark van Noach ook
nog wel. Maar onze jongste plaatste zelfs daarbij al de Nog minder aardig voor het slapen gaan is het verhaal van Esau en Jakob. Waar zadel je een kind mee op als je dit verhaal vertelt? Jakob bedriegt zijn stervende vader door zich als zijn oudere broer Esau voor te doen. Zo ontfutselt hij Esau diens eerstgeboorterecht én de vaderlijke zegen. Uiteindelijk vergeeft Esau zijn broertje deze laatste daad. Esau betoont zich in het boek Genesis dus eigenlijk best voorbeeldig. Toch schrijven de profeet Maleachi en later ook Paulus dat de teloorgang van Esau en de uitverkiezing van Jakob waren voorbestemd. Zonder dat zij er vóór hun geboorte ook maar iets aan hadden kunnen doen, haatte God Esau, maar had Hij Jakob lief (Maleachi 1:3; Romeinen 9:13). Zeker deze strekking van dit verhaal lijkt op het eerste gezicht niet bevorderlijk voor het welbevinden van kindjes. Je zult maar een gevoel aanwakkeren dat zij Esau zijn… Zou Augustinus ook dit verhaal aan zijn getalenteerde
zoontje Adeodatus hebben verteld in de periode dat hij
manicheër was en hem samen met zijn concubine
opvoedde? We zullen dit nooit weten. Augustinus zegt
weinig over zijn jonggestorven zoon, zoals hij ook weinig
spreekt over zijn concubine. We kennen haar naam niet
eens. Al lijkt hij in zijn Confessiones een open boek, je
moet altijd opletten wat Augustinus niet zegt. Over het
(moeten) loslaten van geliefden spreekt hij nauwelijks.
Maar tot mijn grote opluchting blijkt Augustinus met het
verhaal van Jakob en Esau behoorlijk te hebben geworsteld.
Tussen de regels door merk je dat hij Esau als het
ware wil vrijwaren van Gods haat. Hij schrijft aan zijn
vriend Simplicianus bijvoorbeeld dat Gods haat onmogelijk
gericht kan zijn op zijn eigen schepsel, maar eerder
gericht moet zijn geweest op de zonden die Esau zou
begaan. Bovendien suggereert Augustinus dat het woord‘haat’ eigenlijk ongepast is. God wil een orspronkelijke Eigenlijk tobt Augustinus hier dus niet alleen over het verhaal
van Jakob en Esau, maar ook over de ontoereikendheid
van de menselijke taal. Later zal hij de uitverkiezing
van Jakob nog explicieter terugvoeren op de volledige verborgenheid
van de ordinatio divina, de goddelijke orde en
verordeningen. Daar tobt hij niet alleen over de ontoereikendheid
van de taal, ook over de grenzen van de menselijke Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Tilburg en Amsterdam, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk. |
||
| |