Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Voorlezen
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 18-05-10

Wie kleine kinderen voor het slapen gaan uit de Bijbel wil voorlezen, kan daar behoorlijk gnostisch van worden. De vroege christenen die onder de verzamelnaam ‘gnostici’ de geschiedenis zijn ingegaan, wilden het Oude en het Nieuwe Testament niet met elkaar in verband zien. Volgens de manicheeërs bijvoorbeeld waren er in het Oude Testament te veel passages die in strijd waren met de leer van Christus om van een en eenzelfde God afkomstig te zijn. De God die in het Oude Testament werd geopenbaard, achtten zij lager dan de God die zichzelf in het Nieuwe meedeelde. De manicheeër Adimantus, aldus Augustinus in Contra Adimantum, dacht bijvoorbeeld dat de God van het Oude Testament zich in het boek Exodus als jaloers betoonde, terwijl de Heer in het evangelie aanspoorde
vriendelijk te zijn zoals de hemelse Vader, of zeventig maal zeven keer te vergeven (Contra Adimantum
7). Augustinus was het hier volstrekt niet mee eens. Hij deed veel moeite de eenheid van de beide testamenten aan te tonen. Voor hem is de God van het Oude en het Nieuwe Testament, de God van joden en christenen, een en dezelfde.

Toch lijken de verhalen uit het Oude Testament minder geschikt voor jeugdige luisteraars dan bijvoorbeeld de parabels uit het Nieuwe. Het scheppingsverhaal is geweldig. Maar bij Kain en Abel gaat het al mis, hoe leuk de plaatjes in de meeste kinderbijbels ook zijn. In de versie van Dick Bruna gaat het verhaal van de ark van Noach ook nog wel. Maar onze jongste plaatste zelfs daarbij al de
kanttekening dat het zielig was voor de dieren die niet meemochten. Dat vond zij niet aardig van God. De eerste gnostische tendenzen ontkiemden dus al vroeg in haar leventje.

Nog minder aardig voor het slapen gaan is het verhaal van Esau en Jakob. Waar zadel je een kind mee op als je dit verhaal vertelt? Jakob bedriegt zijn stervende vader door zich als zijn oudere broer Esau voor te doen. Zo ontfutselt hij Esau diens eerstgeboorterecht én de vaderlijke zegen. Uiteindelijk vergeeft Esau zijn broertje deze laatste daad. Esau betoont zich in het boek Genesis dus eigenlijk best voorbeeldig. Toch schrijven de profeet Maleachi en later ook Paulus dat de teloorgang van Esau en de uitverkiezing van Jakob waren voorbestemd. Zonder dat zij er vóór hun geboorte ook maar iets aan hadden kunnen doen, haatte God Esau, maar had Hij Jakob lief (Maleachi 1:3; Romeinen 9:13). Zeker deze strekking van dit verhaal lijkt op het eerste gezicht niet bevorderlijk voor het welbevinden van kindjes. Je zult maar een gevoel aanwakkeren dat zij Esau zijn…

Zou Augustinus ook dit verhaal aan zijn getalenteerde zoontje Adeodatus hebben verteld in de periode dat hij manicheër was en hem samen met zijn concubine opvoedde? We zullen dit nooit weten. Augustinus zegt weinig over zijn jonggestorven zoon, zoals hij ook weinig spreekt over zijn concubine. We kennen haar naam niet eens. Al lijkt hij in zijn Confessiones een open boek, je moet altijd opletten wat Augustinus niet zegt. Over het (moeten) loslaten van geliefden spreekt hij nauwelijks. Maar tot mijn grote opluchting blijkt Augustinus met het verhaal van Jakob en Esau behoorlijk te hebben geworsteld. Tussen de regels door merk je dat hij Esau als het ware wil vrijwaren van Gods haat. Hij schrijft aan zijn vriend Simplicianus bijvoorbeeld dat Gods haat onmogelijk gericht kan zijn op zijn eigen schepsel, maar eerder gericht moet zijn geweest op de zonden die Esau zou begaan. Bovendien suggereert Augustinus dat het woord‘haat’ eigenlijk ongepast is. God wil een orspronkelijke
orde herstellen. Zo beschouwd, zijn de gevolgen van de goddelijke haat dus tegengesteld aan de menselijke uitingsvormen van haat.

Eigenlijk tobt Augustinus hier dus niet alleen over het verhaal van Jakob en Esau, maar ook over de ontoereikendheid van de menselijke taal. Later zal hij de uitverkiezing van Jakob nog explicieter terugvoeren op de volledige verborgenheid van de ordinatio divina, de goddelijke orde en verordeningen. Daar tobt hij niet alleen over de ontoereikendheid van de taal, ook over de grenzen van de menselijke
rede. Zo tracht Augustinus eerder bescheidenheid en deemoed te intensiveren dan de predestinatie te verklaren. Toch betrap ik me erop mijn kindertjes voor het slapen gaan vooral de nieuwtestamentische gelijkenissen voor te lezen. Hopelijk bevind ik me in goed gezelschap. In zijn jonge jaren als manicheeër deed Augustinus voor Adeodatus misschien wel precies hetzelfde.

Paul van Geest, hoogleraar patristiek in Tilburg en Amsterdam, schrijft wekelijks op dinsdag een column over de vroege kerk.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.