Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Waaromvragen
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 11-05-10

Gioa is een jonge vrouw die je niet licht vergeet. Zij lijdt aan het uiterst zeldzame Prader-Willi-syndroom. Het ziektebeeld wordt gekarakteriseerd door spierslapte en een grote eetzucht. Meestal worden kinderen met deze ziekte niet groter dan 1,50 meter en zijn zij dus ook best zwaar. En hoewel Gioa 27 jaar oud is, kan zij niet praten. Door haar vertraagde geestelijke ontwikkeling heeft zij iets leeftijdloos. Soms is zij een kindje van een jaar, dat eindeloos kan turen naar een aantal balletjes in een buis met water, die telkens weer boven komen drijven. Soms lijkt zij op een peutertje, dat urenlang met een waterstraaltje uit de kraan kan spelen. Ze reageert heel prikkelbaar als zij in dit spel gestoord wordt. En soms doet ze wel heel volwassen-vrouwelijk: ze kan je heel minzaam een handje geven of afwijzen, met een heel elegant gebaar. Er is soms ook echt contact. Opeens schenkt ze je een blik van herkenning, een flits, die echter snel weer uitdooft. Dan keert zij weer naar binnen, naar haar eigen ondoorgrondelijke ik.

Gioa’s moeder is een begaafde kunstenares, die ervoor gekozen heeft haar leven zo in te richten dat ze helemaal voor haar dochter kan zorgen. Dat kost haar dus haar eigen leven. Als iemand haar daarop wijst, zegt ze: "Door Gioa heb ik leren zorgen. Zij heeft van mij een veel aardiger iemand gemaakt. Dat doet zij bij de meeste mensen die haar tegenkomen. Bij jou misschien ook wel. Gioa
heeft een talent dat ze zelf niet kent: zij maakt van mensen aardige, verzorgende mensen. Ik had er niet aan moeten denken dat ze er niet was geweest."

Ik ben enkele dagen met Gioa en haar moeder opgetrokken en ook ik heb veel van beiden geleerd. Eerst stelde ik vragen die voortkomen uit mijn beroepsdeformatie. Waarom worden kinderen zo geboren? Als God goed is, waarom laat Hij dit dan toe? Augustinus heeft alle onvolmaaktheid in de menselijke natuur herleid tot de erfzonde, waardoor de logica van ziekte en lichamelijke dood in de schepping en wereld werd gezet. Vanaf Ad Simplicianum (395) tot aan De praedestinatione
Sanctorum (425) omschrijft hij de (voor)bestemming van de mens als getekend door tragiek.

Nu weet ik ook wel dat de ‘waaromvraag’ juist bij lijden en dood eigenlijk helemaal niet gesteld moet worden, omdat je er toch geen antwoord op krijgt. Het is een vraag die van een onvruchtbaar soort afstandelijkheid getuigt. Veeleer is de wijze waarop haar moeder met Gioa omgaat en haar liefheeft, een antwoord, dat te denken geeft aan mensen die alles willen kunnen duiden en verklaren. Maar mijn beroepsdeformatie blijft dan toch opspelen. Had het universele genie Augustinus dit dan niet door?
Waarom komt hij juist dan met verklaringen over de oorspronkelijke goedheid van de natuur en de dubbelheid van de menselijke wil, waardoor wij hier op aarde in een tranendal leven?

Dank zij de reikwijdte en diepgang van zijn denken kwam Augustinus hier verder dan wie ook in zijn tijd en daarna. Ik vermoed dat hij bleef omschrijven, analyseren en speculeren om des te indringender te laten zien dat het leven uiteindelijk ondoorgrondelijk is. Waarom gebeuren er allerlei dingen in de geschiedenis van de wereld en in de kleine geschiedenis van elk mens? Dat ontsnapt aan het menselijk begrip. Het kwaad dat goede mensen treft, de slavernij van rechtvaardigen, de voorspoed van het Romeinse rijk met zijn trekken van decadentie – de onderliggende redenen zijn voor Augustinus alleen bij God bekend (De ciuitate Dei 20.2).

Augustinus hecht aan een – verder onberedeneerde – levenshouding waarin mensen zin, vervulling en geluk kunnen vinden bij mensen als Gioa, die op het eerste gezicht de capaciteiten lijken te ontberen om leermeesters te zijn. In Ad Simplicianum 1.2.21 schrijft hij: "Laat ons alleen geloof hebben! Ook als we niet kunnen bevatten dat Degene die de hele schepping, geestelijk en lichamelijk, heeft gemaakt en gesticht, alles in getal en maat en gewicht heeft geordend (vgl. Wijsh. 11: 20). Maar ‘ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onbegrijpelijk Zijn wegen’ (Rom 11:33). Laat ons zeggen: ‘Alleluja!’ en de lofzang prijzen en niet zeggen: ‘Wat is dat en wat is dat?’ Want alle dingen zijn op hun tijd geschapen." Het kan niet anders of deze uitspraak is gedaan na een ontmoeting met mensen als Gioa. Of haar moeder. Want zeker de laatste belichaamt de gedachte dat het geen zin heeft antwoorden te zoeken op vragen waar geen antwoord op is. Zij geeft te kennen hoe zwaar én vervullend het is een leermeester ten geschenke te krijgen die je totaal niet verwacht. Ik ben hen dankbaar dat ik met hen mocht optrekken. En Gioa’s moeder, dat ik dit verhaal met u mocht delen.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.