Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Gezond pessimisme
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 04-05-10

Een psychologe gaf haar gehoor het volgende raadsel: "Wat hebben hooligans met corpsballen gemeen?" Onder haar publiek bevonden zich voormalige representanten van de laatste categorie. Twee van hen waren bovendien officieren van justitie, die strafzaken tegen leden van de eerste groep hadden onderzocht. Daarom was het antwoord als in een reflex: "Helemaal niets!" Dat was het foute antwoord. Het juiste antwoord had moeten zijn: hooligans én corpsballen vertonen merkwaardig en soms laakbaar gedrag als zij in groepsverband opereren, maar als individuen ontmoet en aangesproken, zijn zij best benaderbaar of aardig. Een stilte volgde in de zaal. De observatie van de psychologe deed denken aan een wezenlijk punt in het wereld- en mensbeeld van de Verlichting.
In de geest van Rousseau werd de natuur van iedere individuele mens goed geacht. Er was dus altijd
vooruitgang mogelijk. Door de rede, wetten en techniek is een mens naar een hoger plan van beschaving te brengen. Hij kan zelfs tot volmaaktheid komen. Antisociaal gedrag wordt veroorzaakt door factoren buiten het individu: slechte economische omstandigheden, dito ouders of discriminatie.
Goede voeding, psychotherapie en een loopbaanperspectief kunnen helpen.

De individuele hooligan of corpsbal lijkt het verlichtingsideaal dus te onderbouwen. Maar waarom vertonen zij in groepsverband dan soms merkwaardig gedrag? Hier helpt ons de verklaring van de invloedrijke protestantse theoloog Reinhold Niebuhr. Hij stelt in zijn Moral man and immoral society (1932) dat mensen als enkelingen nog wel moreel, altruïstisch, sympathiek en rechtvaardig zijn,
maar in groepsverband nauwelijks in staat zijn egocentrische impulsen te beheersen of begrip voor anderen te tonen. Een individuele mens lijkt tot het goede in staat, maar het leven in groepsverband nodigt er niet toe uit. Corpsballen en hooligans bewijzen het. Augustinus lijkt in dit opzicht een stuk somberder. Individueel of collectief – vanaf het moment dat Adam van de boom van goed en kwaad at, deelde de mensheid in die eerste zonde. Ze raakte bovendien onderworpen aan zonde en dood. Ongedoopte kindjes erfden deze zonde als reële zonde. Als zij niet werden gedoopt, kwamen zij niet
in de hemel. Bovendien bleef de mensheid de gevolgen van die erfzonde (peccatum originale) dragen, in de vorm van de concupiscentia: een mysterieuze, morele zwakheid die samengaat met een turbulente ongeordendheid van verlangens. Zo overerven mensen dus het menselijk tekort, om het vervolgens zelf weer gestalte te geven. Het vermogen het goede te doen is zo aangetast dat de mens
dit zonder Gods genade niet meer kan.

Op het eerste gezicht doet de visie van de pelagianen sympathieker aan: overtuigd dat de zonde van Adam alleen gevolgen had voor Adam, achtten zij de capaciteit van zijn nageslacht het goede te doen niet aangetast. Bijgevolg was Gods genade niet echt nodig. Waren de verlichtingsfilosofen Pelagius op het spoor gekomen, dan zouden zij hem dankbaar zijn geweest.Nog niet zo heel lang geleden heeft de pauselijke theologencommissie Augustinus’ visie op de ongedoopte kindjes gelukkig van zoveel kanttekeningen voorzien dat er in de Rooms-Katholieke Kerk nu alle ruimte is aan te nemen dat ongedoopte kindjes die sterven, toch bij God zullen zijn. Maar toch: waarom zijn Augustinus’ gedachten over de erfzondeleer zo zinvol?

Ik vermoed dat Augustinus inzag dat somberheid over de de mens en de mensheid net zo hard nodig is voor een eerlijk zelfbesef en om samen te leven, als hoop. Dwangmatige optimisten en mensen die anderen alleen met complimenten overladen: juist zij dragen bij aan de ondergang van een samenleving of een individu. Het loopt met optimisten die slechts op eigen goedheid en kracht
vertrouwen, slecht af: zij laten zich steeds minder bijsturen door een zelfreflectie waarin ook destructieve aandriften en duistere kanten onder ogen worden gezien. Augustinus aanvaarden als negativiteitsgoeroe is dus zo slecht nog niet. Zijn somberheid over de menselijke conditie leidt altijd tot een eerlijker opstelling ten opzichte van anderen en tot het besef afhankelijk te zijn van de genade van anderen en van God. De van oorsprong marxistische filosoof Leszek Kolakowski heeft eens gezegd dat het christelijke zondebegrip zo bepalend is geweest voor onze cultuur, dat ook niet-gelovigen zich daar nog steeds niet van kunnen vrijmaken. Klinkt in zijn woorden het verlangen door naar constructief
augustijns pessimisme?

Prof.dr. P.J.J. van Geest is hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit Amsterdam.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.