Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Afhankelijkheid
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 27-04-10

Alweer enige tijd geleden mocht ik de cursus academisch leiderschap van de Universiteit van Tilburg volgen. Dat was leerzamer dan ik in al mijn eigengereidheid aanvankelijk dacht. Door ‘begeleide intervisie’ en in rollenspelen met echte acteurs kreeg je echt beter zicht op je kwaliteiten en onhebbelijkheden. Op een gegeven moment ontspon zich in mijn groep een discussie over vier soorten
collega’s. Sommigen worden als niet goed in hun vak en niet aardig ervaren. Anderen gelden als goed in hun vak, maar niet aardig. Dan zijn er mensen die niet goed in hun vak, maar wel aardig zijn. Ten slotte zijn er degenen die goed in hun vak én aardig zijn.

De vraag was natuurlijk hoe je met degenen uit de eerste drie groepen moet omgaan, om hen tot de vierde groep te laten behoren. Hierop bleek geen eenduidig antwoord mogelijk. We moesten zelf eerst maar eens beducht zijn voor het gevaar niet goed en ook niet aardig te zijn.

Vorige week liep ik door een samenloop van omstandigheden binnen enkele dagen drie etenschappers tegen het lijf, uit Berlijn, Delft en Utrecht, van wie onomstotelijk vaststaat dat zij zeer goed zijn in hun vak. Maar zij bleken ook ongekunsteld en ongeveinsd, sympathiek. Klaarblijkelijk behoeven lef, ambitie of eerzucht een sympathieke bejegening van anderen niet uit te sluiten.

Sinds de profeet Jesaja tot en met paus Benedictus XVI klinkt een waarschuwing voor de gevaren van het streven naar roem, rijkdom en eer. Mensen kunnen daardoor in een krachtenveld raken waarin ze van zichzelf en van de rest van de wereld vervreemden. Dit is zeer indringend verwoord door Prediker, die ik me zo voorstel als een geslaagde vijftiger. Hij wijst erop dat mensen die al te zeer streven naar luxe, rijkdom en eer, streven naar zaken die evenveel problemen veroorzaken als zij oplossen. Angst
om bezit te verliezen of om niet meer erkend te worden kunnen bijvoorbeeld al tot depressie leiden zonder dat het bezit of de reputatie al verloren is.

Maar deze drie wetenschappers wekten geen van alle de indruk dat ze vervreemd waren van zichzelf en anderen. Integendeel. Zij wekten zelfs niet de indruk dat ze aardig waren geworden omdát zij erkend waren of de eerzucht bevredigd was. Hoe dan wel?

Natuurlijk weet ik dit niet. Maar bij één van hen heb ik wel een vermoeden. In een terloopse bijzin liet hij zich ontvallen dat er veel was in zijn leven waar hij niet om had gevraagd en dat hij ook zijn verstand niet zelf ‘geregeld’ had, zoals onderzoekssubsidies te regelen zijn. Toen realiseerde ik mij dat het maar goed is voor de mensheid dat Augustinus’ visie in de zogenaamde genadestrijd die van Pelagius is gaan overheersen. Hoewel een nu al aardige en binnenkort zeer goede collega in zijn promotieonderzoek mooi op weg is het beeld van Pelagius te verfijnen, heb ik nog steeds grote moeite met diens denkbeelden. Toen Augustinus’ Confessiones vanaf 400 begonnen te circuleren, schrok Pelagius, een Britse monnik te Rome, zich wezenloos vanwege een zin die Augustinus in het tiende boek maar liefst drie keer in een gebed herhaalt:‘Geef wat U beveelt en beveel wat U wilt’. Pelagius
vond de gedachte dat mensen afhankelijk zijn van God en zijn genade om het goede te kunnen doen, behoorlijk onaanvaardbaar. Gevormd door de Keltische cultuur, zag hij de christen vooral als een individuele persoonlijkheid, los van God, emancipatus a Deo. Door eigen keuzes en dus op grond van eigen verdiensten kunnen mensen hun lot ten goede en ten Gode keren. Niet alleen de wereld, ook
hun redding ‘maken’ zij zelf.

Pelagius’ gedachten zijn hoogst aantrekkelijk voor mensen die niet lui of defaitistisch willen zijn. Maar ze hebben ook een kwalijke keerzijde, die Augustinus al bestreed voordat zij goed en wel in de genadestrijd rond 418 was uitgesproken. Mensen die ervan uitgaan dat zij alles aan zichzelf te danken hebben, kunnen al snel vervreemd raken van zichzelf en van de werkelijkheid, omdat hoogmoed de kop
opsteekt. Die kracht noemde Augustinus al eerder een‘reuzenziekte’, die de hele wereld in de greep kon houden. Augustinus gaat ervan uit dat er niets is wat mensen niet hebben ontvangen, en dat zij door de genade van mensen en God zijn wie zij zijn. Wie zich dat realiseert, wordt al gauw sympathieker dan wie denkt dat hij alle prestaties – of zijn leven überhaupt – uitsluitend aan zichzelf te danken heeft.

Op deze gedachten werd ik gebracht door de terloopse opmerking van mijn collega. Wie de orthodoxie ter harte neemt, heeft dus grote kans aardig en sympathiek te worden. Maar die gedachte heb ik voor me gehouden tijdens de genoemde ontmoetingen. Het uitspreken ervan is misschien wel helemaal niet aardig of sympathiek.

Dit is de elfde in een reeks columns op dinsdag over de vroege kerk. Prof.dr. P.J.J. van Geest is hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit Amsterdam.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.