![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Dierenhemel Een van de hoogtepunten in mijn week is de filosofieles op vrijdagmorgen voor de kinderen in groep vier van basisschool Het Baken te Berkel. Dochters Isabel en Sophietje bevinden zich dan onder mijn aandachtige en beweeglijke gehoor. Dat vervult mij met grote vreugde en dankbaarheid. Nu schamen zij zich nog niet voor hun vader; ze zijn zelfs een beetje trots. Socrates, Plato en Aristoteles passeren in oneliners de revue. Socrates heeft de tandenwisselende studentjes nog het meest aangesproken, omdat hij niet in antwoorden dacht, maar in vragen en ‘wist, dat hij niet wist’. Een jongetje meldde zijn juf daarop dat hij van plan was op te houden met taal en rekenen omdat hij toch nooit alles te weten zou komen. Gelukkig beheerste de juf Socrates’ vroedvrouwtechniek: met aanmoedigingen en enig afremmen, met duwen en masseren wist zij de zevenjarige scepticus in de dop weer tot leren aan te zetten. Het werd in de filosofieles menens toen bleek dat er een konijntje was gestorven. Droefheid bij een van de studentjes en stilte in de groep. Waar was het konijntje nu? ,,In de konijnenhemel’’, zei een meisje. ,,Is er dan een dierenhemel?’’, vroeg een ander filosoofje. Het was stil. Wij waren nog niet aan Descartes toe. Die zag
in zijn Discours de la méthode (1637) een verschil tussen
het niet-bezielde, redeloze dier en een machine. Dat zou
in groep vier natuurlijk zeer slecht zijn gevallen. Zou hij in
Berkel hebben gewoond en dit gezegd hebben, dan had hij
voor de zoveelste keer in zijn leven kunnen verhuizen.
Primatoloog Frans de Waal was me van meer nut. In ijn Als dieren ook een ziel zouden hebben, kon ik het rouwende filosofiestudentje nog enigszins geruststellen. Als eens een mens sterft, zo zegt Augustinus, dan verandert diens leven, maar wordt het niet opgeheven. Zou hij dit ook voor dieren gezegd kunnen hebben? In het joodse en christelijke denken wordt de mens als het hoogtepunt van de schepping beschouwd. En wij onderscheiden ons van dieren door onze taligheid en ons reflexief vermogen. We moeten maar goed ons best doen om dat ook zo te houden. En wij kunnen glimlachen – een eigenschap waarin volgens filosoof Roger Scruton zich de menselijke ziel weerspiegelt. Maar wat moest ik de filosofiestudentjes zeggen? Is de
mens de enige soort met een ziel? Augustinus is hier helder
en vaag tegelijk over. In een vroeg traktaat tegen de
manicheeërs, De Genesi contra manicheos, schreef hij dat
mensen zich door hun verstand onderscheiden van dieren.
Maar later in De Genesi ad litteram (401) legt hij er
meer nadruk op dat alle levende wezens passies en
instincten hebben, mens én dier. En nog weer later schrijft
hij zelfs in de De civitate Dei (De stad Gods) dat mensen en
dieren het niet-redelijke gedeelte in de ziel gemeenschappelijk
hebben. Wel is de mens het enige schepsel dat, als
geestelijk wezen geschapen naar het beeld van God, begenadigd
is met een redelijke ziel, met oordeelsvermogen en
met een vrije wil. Daarom is de mens zichzelf ook een Dergelijke gedachten speelden zo door mijn hoofd. Maar zo langzamerhand moest ik mijn wiebelende gehoor wel eens gaan antwoorden: ,,Ik weet niet of er een dierenhemel is. Er is bij dieren en mensen zoveel dat we niet kunnen verklaren. De mieren in de zomer: zij lijken zomaar te krioelen, en toch bouwen ze een heel geordende mierenhoop. Grote mensen zeggen dan dat ze dat doen ‘uit instinct’. Maar wat ‘instinct’ is, weten we niet. Zo zie je: mensen en dieren zijn omgeven met mysterie. Hier en nu, en later. Sommige mensen willen alles verklaren; anderen zijn stiller en verwonderen zich. En sommigen doen allebei tegelijk.’’ Toen hield ik maar op. Misschien had ik de kleine wereldburgertjes te snel belast met de gedachte van Rutger Kopland dat wie een antwoord heeft gevonden, geen goede vraag heeft gesteld. Maar toch: dat mensen zichzelf vooral een vraag zijn, is misschien wel een van de mooiste inzichten die Augustinus de wereld gegeven heeft. Dit is de tiende in een reeks columns op dinsdag over de vroege kerk. Prof.dr. P.J.J. van Geest is hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit Amsterdam. |
||
| |