![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
Zegeningen tellen Nederland is een comfortabel land. Deze constatering
deed een buitenlandse wetenschapper tijdens zijn bezoek
aan de Universiteit van Tilburg. Zó hadden zijn Nederlandse
collega’s het alweer een tijdje niet bekeken. Weliswaar
waren de meesten van hen opgegroeid in Nederland;
in een verzorgingsstaat dus, waarin de staat verantwoordelijkheid
draagt voor gezondheidszorg, werkgelegenheid,
sociale zekerheid en onderwijs. Dat zorgde nu al tientallen
jaren voor stabiliteit in het land. Maar comfortabel Het slotakkoord kwam van iemand die het besturen in
Nederland had onderzocht. Nederlandse staatsinstellingen,
zo zei zij, hadden door al deze ontwikkelingen aan
gezag ingeboet. Angst voor controleverlies was het gevolg.
En die angst leidde tot een streven naar regulering en disciplinering De buitenlandse wetenschapper had zo’n lawine van replieken niet verwacht. Nu wist hij zeker: het vermogen zegeningen te tellen was Nederlanders niet aangeboren. Augustinus had het talent mensen dit vermogen te laten ontwikkelen. Het was een van de redenen waarom hij nota bene als christen in de Arabische wereld van zijn dagen met de eretitel sidi (‘heer’) werd genoemd. Onzekere tijden waren voor Augustinus in het jaar 410 de
aanleiding zijn De civitate Dei (‘De stad van God’) te schrijven.
Het onverwoestbaar gewaande Romeinse rijk was als
een kaartenhuis ineengestort. Een van de leidende
gedachten in dit tijdloze werk is dan ook dat de wereld
niet maakbaar is. De wereld is tragisch en zal dit altijd
blijven. Augustinus verwijt de regenten van zijn tijd wat
dit betreft een gebrek aan realiteitszin. Zij onderkennen
niet dat ziekte, spanning, twist en chaos het leven bepalen Nu is het merkwaardige in De civitate Dei dat het bewustzijn
zich in een tragische ballingschap te bevinden,
samengaat met ‘gelukkig zijn’. In het negentiende boek
bespreekt Augustinus alle dimensies van het menselijke
bestaan die voor aardse vrede cruciaal zijn. Een mens is
lichaam en ziel; de ziel heeft een vitaal, niet-redelijk deel
en een redelijk deel. In elk van deze dimensies moet vrede
heersen. Dan leeft de mens ‘ordelijk in welbevinden’. In
het lichaam is er vrede als alle ‘delen’ hierin ‘geordend
samengaan’. In het vitale, niet-redelijke deel van de ziel is
er vrede als een mens in staat is niet te primair en instinctief
te reageren. Daar komen maar ongelukken en misverstanden
van. De vrede in het lichaam en het niet-redelijke
deel van de ziel vormt weer de basis voor de vrede in de Voor Augustinus versterkt juist de innerlijke vrede, die gebaseerd is op evenwichtigheid en eerlijkheid, het besef dat het hier op aarde allemaal niet volmaakt is. Maar het streven van regenten naar disciplina verraadt in zijn idee niet alleen bestuurlijke interventiedrift, maar vooral onevenwichtigheid. Niet de disciplina, maar de concordia bevordert de vrede in huis, stad en staat. Deze eendrachtigheid kan niet van boven af opgelegd worden. Zij groeit wanneer mensen zich lotgenoten weten in de tragiek van het bestaan. Het besef dat alles hier uiteindelijk slecht afloopt, elimineert hoogmoed. Paradoxalerwijs moeten zij hiervoor dus goed in hun vel zitten. Dit alles overdenkend, kwam ‘de Nederlander’ voor de buitenlandse wetenschapper in een ander perspectief te staan. Hij vond hun land comfortabel, maar zij zagen de keerzijde. Maar of dit inzicht hun door het bewandelen van de innerlijke en uiterlijke wegen naar vrede ten deel was gevallen, waagde hij te betwijfelen. Dit is de negende in een reeks columns op dinsdag over de vroege kerk. Prof.dr. P.J.J. van Geest is hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit Amsterdam. Bron: Nederlands Dagblad |
||
| |