Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Zegeningen tellen
Paul van Geest, Nederlands Dagblad, 06-04-10

Nederland is een comfortabel land. Deze constatering deed een buitenlandse wetenschapper tijdens zijn bezoek aan de Universiteit van Tilburg. Zó hadden zijn Nederlandse collega’s het alweer een tijdje niet bekeken. Weliswaar waren de meesten van hen opgegroeid in Nederland; in een verzorgingsstaat dus, waarin de staat verantwoordelijkheid draagt voor gezondheidszorg, werkgelegenheid, sociale zekerheid en onderwijs. Dat zorgde nu al tientallen jaren voor stabiliteit in het land. Maar comfortabel
voelden ze zich eigenlijk niet. Een van de collega’s bracht in dat de verzorgingsstaat werd aangetast door de vluchtigheid van arbeidsrelaties. Sociale verbanden gingen teloor door migratie en internet. Daardoor kwamen de overgeleverde religieuze en morele waarden in het gedrang.

Het slotakkoord kwam van iemand die het besturen in Nederland had onderzocht. Nederlandse staatsinstellingen, zo zei zij, hadden door al deze ontwikkelingen aan gezag ingeboet. Angst voor controleverlies was het gevolg. En die angst leidde tot een streven naar regulering en disciplinering
van burgers. Of het nu de inrichting van het landschap of de maatschappelijke orde betrof: alle regels
werden ingegeven door het streven naar beheersing, juist in onzekere tijden.

De buitenlandse wetenschapper had zo’n lawine van replieken niet verwacht. Nu wist hij zeker: het vermogen zegeningen te tellen was Nederlanders niet aangeboren. Augustinus had het talent mensen dit vermogen te laten ontwikkelen. Het was een van de redenen waarom hij nota bene als christen in de Arabische wereld van zijn dagen met de eretitel sidi (‘heer’) werd genoemd.

Onzekere tijden waren voor Augustinus in het jaar 410 de aanleiding zijn De civitate Dei (‘De stad van God’) te schrijven. Het onverwoestbaar gewaande Romeinse rijk was als een kaartenhuis ineengestort. Een van de leidende gedachten in dit tijdloze werk is dan ook dat de wereld niet maakbaar is. De wereld is tragisch en zal dit altijd blijven. Augustinus verwijt de regenten van zijn tijd wat dit betreft een gebrek aan realiteitszin. Zij onderkennen niet dat ziekte, spanning, twist en chaos het leven bepalen
en zullen blijven bepalen. Dit verwijt hij ook enkele klassieke filosofen, die meenden dat disciplina, de disciplinering van burgers door regenten, tragiek zou uitbannen en burgers zou vervolmaken. Augustinus noemt dit hoogmoedig en naïef. En als de regenten dit vooral willen omdat zij bang zijn macht en controle te verliezen, dan vernietigen ze juist wat zij willen behouden: een geordend leven in welbevinden.

Nu is het merkwaardige in De civitate Dei dat het bewustzijn zich in een tragische ballingschap te bevinden, samengaat met ‘gelukkig zijn’. In het negentiende boek bespreekt Augustinus alle dimensies van het menselijke bestaan die voor aardse vrede cruciaal zijn. Een mens is lichaam en ziel; de ziel heeft een vitaal, niet-redelijk deel en een redelijk deel. In elk van deze dimensies moet vrede heersen. Dan leeft de mens ‘ordelijk in welbevinden’. In het lichaam is er vrede als alle ‘delen’ hierin ‘geordend samengaan’. In het vitale, niet-redelijke deel van de ziel is er vrede als een mens in staat is niet te primair en instinctief te reageren. Daar komen maar ongelukken en misverstanden van. De vrede in het lichaam en het niet-redelijke deel van de ziel vormt weer de basis voor de vrede in de
redelijke ziel. Op dit niveau is er vrede als mensen hun woord eren: integer zijn. Eerlijkheid en integriteit behelzen dus een vorm van vrede, die lichamelijk en geestelijk evenwicht veronderstelt.

Voor Augustinus versterkt juist de innerlijke vrede, die gebaseerd is op evenwichtigheid en eerlijkheid, het besef dat het hier op aarde allemaal niet volmaakt is. Maar het streven van regenten naar disciplina verraadt in zijn idee niet alleen bestuurlijke interventiedrift, maar vooral onevenwichtigheid. Niet de disciplina, maar de concordia bevordert de vrede in huis, stad en staat. Deze eendrachtigheid kan niet van boven af opgelegd worden. Zij groeit wanneer mensen zich lotgenoten weten in de tragiek van het bestaan. Het besef dat alles hier uiteindelijk slecht afloopt, elimineert hoogmoed. Paradoxalerwijs moeten zij hiervoor dus goed in hun vel zitten.

Dit alles overdenkend, kwam ‘de Nederlander’ voor de buitenlandse wetenschapper in een ander perspectief te staan. Hij vond hun land comfortabel, maar zij zagen de keerzijde. Maar of dit inzicht hun door het bewandelen van de innerlijke en uiterlijke wegen naar vrede ten deel was gevallen, waagde hij te betwijfelen.

Dit is de negende in een reeks columns op dinsdag over de vroege kerk. Prof.dr. P.J.J. van Geest is hoogleraar patristiek aan de Universiteit van Tilburg en de Vrije Universiteit Amsterdam.

Bron: Nederlands Dagblad

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.