Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Ongekend charisma: Augustinus als prediker
Paul van Geest, Trouw, 31-05-08

Niet lang na de dood van Augustinus in 430 wijdde Possidius, die lange tijd met Augustinus in de kloostergemeenschap bij de bisschopskerk van Hippo Regius woonde, de eerste biografie aan zijn bisschop. In zijn Vita Sancti Augustini (31) schrijft hij, ervaringsdeskundige, dat degenen die Augustinus hadden zien en hóren preken hier meer profijt uit trokken dan degenen die ‘slechts’ zijn werken hadden gelezen.

Op grond van wat Augustinus zélf los laat over zijn uiterlijke verschijning lijkt deze omschrijving onwaarschijnlijk. Hij beklaagt zich namelijk soms over zijn zwakke stem en op zeker moment ook over zijn ziekelijk ‘lichaampje’ (sermo 269, en. Ps 50.1). Benozzo Gozzoli (1420-1497), leerling van Frà Angelico, heeft de kerkvader op een fresco van diens sterfbed in de kerk van San Gimignano een imposante grijze baard gegeven; zo bracht hij Augustinus’ eerbiedwaardigheid en ouderdom tot uitdrukking. De kerkvader kan een dergelijke baard echter onmogelijk hebben gedragen. In zijn De opere monachorum (‘Het werk van monniken’) hekelt hij namelijk een groep monniken die een baard en lang haar dragen omdat hij dit een teken van luiheid en onevenwichtigheid vindt. Ook het dress to impress ging voor hem niet op. In preek 356 distantieert hij zich van de verfijnde kledij van zijn collega-bisschoppen en geeft hij aan gekleed te willen gaan als de meest eenvoudige geestelijke. Het oudst bekende portret van Augustinus in de bibliotheek van het Lateraans Paleis te Rome lijkt waarheidsgetrouwer dan de eerste biograaf en een latere kunstenaar in later tijd wilden doen geloven. Hier is een tengere man met een kaalgeschoren hoofd te zien. In een voor hem te grote zetel heeft hij een docerende pose aangenomen. Zijn lichaam straalt gedrevenheid uit en vanuit zijn breed oplopend gelaat kijkt hij de bezoekers gereserveerd, indringend en tegelijk welwillend aan.

Deze man preekte na zijn priesterwijding in 391 iedere zaterdag en zondag en in de vasten- en paastijd dagelijks. Tot aan zijn dood in 430 moet Augustinus dus om en nabij de zesduizend preken hebben gehouden. Slechts een fractie daarvan is ons overgeleverd. De benedictijnen van Sint Maurus hebben in de zeventiende eeuw van bijna vierhonderd preken aangetoond dat ze echt door Augustinus zijn gehouden. Tussen 1683 en 2008 zijn er nog 150 authentieke preken van Augustinus ontdekt. Zij werden met de namen van hun ontdekkers aangeduid (sermones Caillau, Lambot, Morin, Denis). Zeer recent nog werden een zestal preken in Erfurt ontdekt. In het zesde deel van het laatste deel van zijn tiendelige catalogus van Augustinus’ werken (deel X 6 ) somt Possidius 202 tractaatjes op. Van deze catalogus zijn nr. 190, 191 en 192 ontdekt (sermoErfurt 2, 3, en 4; cf. sermo 164A). Met nog twee onbekende, nieuwe preken over martelaar en paus Marcellinus (sermo Erfurt 5), over het martelaarschap van Cyprianus (sermoErfurt 6) en ten slotte de gedeeltelijk al bekende preek over Perpetua en Felicitas (sermoErfurt 1; cf. sermo 282) zijn dit de nieuwste maar waarschijnlijk niet de laatste ontdekkingen.

Wie kennis neemt van Augustinus’ preken, beseft echter al gauw dat Possidius helemaal niet idealiseerde en zich eerder nog gematigd uitdrukte. In schrille tegenstelling tot zijn uiterlijke verschijning moet Augustinus als predikant een ongekend charisma hebben bezeten. Augustinus schreef zijn preken nooit uit. Of hij nu in zijn eigen bisschopskerk te Hippo voor ongeletterden preekte of in de basiliek te Carthago, waar zich ook geletterde mensen en hoge ambtenaren voor hem staande hielden: hij preekte voor de vuist weg. Notarii, snelschrijvers, tekenden in opdracht van Augustinus zelf of van derden in de kerk meestal woordelijk op wat Augustinus à l’improviste verkondigde. In hun weergave van Augustinus’ preken is het tot op de dag van vandaag mogelijk Augustinus’ charisma te ontwaren.

Zo is in de Enarratio in Psalmum 140, 18 bijvoorbeeld nog steeds waarneembaar dat Augustinus behendig inspeelt op temperamentvol tot uiting gebrachte tekenen van vroomheid als knielen, neerliggen in de kerk en geklop op de borst bij de schuldbelijdenis. Hij grijpt het mediterrane rumoer in zijn kerk aan om het verschil tussen de uiterlijkheden en het innerlijk van zijn gelovigen aan de kaak te stellen: ‘ik zie waar het lichaam ligt, maar ik vraag waar het gemoed heen en weer fladdert!’ De diensten waren ook lang: tijdens de morgendienst op zondag werd de eucharistie voorafgegaan door de lezing van drie hoofdstukken uit de Schrift. Als martelaren werden herdacht kwam ook hun hele passio nog eens aan de orde. Des te frappanter is het dat gelovigen Augustinus’ preek soms te kort vonden en om méér riepen (sermo 269, 1). Ook in de hier vertaalde preek 311 hebben de stenografen de bijval opgetekend die Augustinus bewerkstelligde. Toen hij datgene wat een mens op aarde liefheeft omschreef als vogellijm voor de geestelijke vleugels - de deugden ‘waarmee men naar God vliegt’ -  moet onmiddellijk een applaus zijn losgebarsten. Dit maakte wel dat Augustinus zijn kans schoon ziet en terstond aan zijn vergelijking toevoegt dat hij een goede levenswandel wil: ‘en geen kreten!’ (sermo 311, 4).

Al even weergaloos slingert Augustinus in de hier uitgegeven preek 23 de gedachte de kerk in dat de mens zélf de ruimte is waarin God ontwaard kan worden. Eenvoudige gelovigen reageerden hier onthutst op. Zij vonden het moeilijk te aanvaarden dat God ‘bestaat’ buiten de dimensies van tijd en ruimte en dus zeker niet gezien moest worden als een grote man die de aarde als een voetenbank gebruikt en met zijn hoofd in de hemel troont (Jes. 66, 1, cf. sermo 53, die de dag na sermo 23 gehouden is). Zij namen woorden in de Schrift in eerste instantie letterlijk. Er ontstaat rumoer in de kerk omdat degenen die de ethische implicaties van deze schriftuitleg begrepen, deze al tijdens de preek verklaarden aan degenen die deze nog niet vatten. Als voormalig retoricaleraar ziet Augustinus dat hij op het punt staat een doodzonde in zijn vak te begaan: namelijk over de hoofden heen te praten (s. 23.8). Onmiddellijk speelt hij op de ontstane situatie in; kondigt aan dat hij nadere uitleg zal geven. De dag erna gaat hij nog uitvoeriger in op de voorstelbaarheid van God, die niet aan tijd en ruimte gebonden is.

Augustinus’ charisma komt ten slotte tot uiting in zijn even eenvoudige als sprankelende manier van spreken, zijn ongekunstelde woordspelingen of beschrijving van situaties, van dieren als de kameel en de pauw om respectievelijk hun dienstbaarheid en sterkte als deugd voor te houden, en zijn vergelijkingen, die soms behoorlijk plat zijn. In korte zinnen veinst hij ook vaak een levendig, ongedwongen dialoog waarin zijn temperamentvolle gelovigen waarschijnlijk volledig in zijn opgegaan. Hij schroomt daarbij niet, zoals in preek 150, ongeletterden in te leiden in kerngedachten van filosofen als de epicureërs en de stoicijnen om vervolgens hun levensorde in het licht van Paulus’ verkondiging van het christendom van kanttekeningen te voorzien. De ongeletterden voelden zich daardoor serieus genomen; maar de geletterden in Carthago ook. In Umberto Eco’s De Naam van de Roos kunnen door de kenners tal van verwijzingen naar het werk van Aristoteles en of van de nominalisten worden gevonden. Het stoort lezers van de roman echter niet als zij deze niet herkennen. De ‘gelaagdheid’ in deze roman waardoor een meervoudig publiek tegelijk wordt aangesproken vinden we ook in de preken van Augustinus. Soms legt hij een enkel woord uit de voorgelezen pericoop minutieus uit. Vaak pleegt hij een allegorische exegese op een verhaal dat letterlijk genomen onwaarschijnlijk overkomt. Zeer vaak benadert hij, zoals de klassieke schrijvers, schriftgedeelten als een probleem dat ontrafeld moet worden en waaruit conclusies kunnen worden getrokken. Middels deze drie benaderingen, die hij soms op virtuoze wijze vervlecht, ontsluit hij zijn in de schrijfkamer bevochten inzichten; inzichten die hij in De stad Gods of in Over de Drie-eenheid wel weer ‘academisch’ zijn uiteengezet.

Voor geletterden schrijven deed Augustinus ook minder graag dan preken. Als reden voor zijn jaren lange dralen bij de afronding van zijn monumentale werk over de Drie-eenheid geeft Augustinus namelijk aan dat de Drievuldigheid ‘slechts’ voor een onderlegd publiek interessant is maar hij met andere werken een breder publiek bereikt. De elite wilde hij zeker christelijk houden. Maar zijn volk, het lichaam van Christus, lag hem het meest aan het hart. Possidius moet in dankbaarheid hebben omgezien toen hij vaststelde dat degenen die Augustinus hadden zien en hóren preken hier meer baat bij hadden dan degenen die ‘slechts’ zijn werken hadden gelezen.

Bron: Dagblad Trouw.

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.