![]() |
||
Faculteit Katholieke Theologie |
||
| Media-exposure medewerkers | ||
| Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008 | ||
|
“Geloof óók in je eigen onvolmaaktheid” Zijn huis ziet er aan de buitenkant degelijk uit maar blijkt één en al vrolijkheid en kleur te zijn als je er binnen stapt. Zoiets geldt ook voor Paul van Geest zelf. Hij is hoogleraar Augustijnse studies aan de theologische faculteit van de VU en de Katholieke Theologische Faculteit Tilburg, en directeur van het interuniversitaire onderzoekscentrum voor patristiek van beide universiteiten. Maar Van Geest is óók een jonge vader die kan schaterlachen om de guitenstreken van zijn dochtertjes, en hij bruist van enthousiasme over zijn vak. “Theologen blijven jongens”, laat hij zich ontvallen. “Ik heb mijn eerste naïviteit nog niet verloren.” Zijn grote voorbeeld Augustinus blijkt al net zo’n verrassing te zijn. Het imago van de vader aller kerkvaders is dat van de sombere piekeraar die ons de erfzonde bracht. Maar dat is schijn. In zijn boek Stellig maar onzeker betoogt Van Geest dat God voor Augustinus in principe onkenbaar is. “God als iemand met menselijke eigenschappen? Je moest hem er eens over horen! Daar had hij een broertje aan dood. Hij zegt: ‘jullie denken dat God in de tempel in Jeruzalem woont. Maar weet je waar hij echt woont? In je hart.’ Dat was schokkend voor de simpele inwoners van Hippo, die antropomorfisch dachten over God: als een groot mens, iemand die zijn hoofd in de hemel had en de aarde gebruikte als voetenbank. Augustinus zoekt God in zichzelf – zeker in zijn Belijdenissen - maar vervolgens ontdekt hij dat God veel groter is dan zijn hoogste ik en veel dieper dan zijn diepste zelf. In het licht van die mensheid-overstijgende God ontdekt hij zijn eigen onvolmaaktheid. Augustinus zegt in zijn preken: het inzicht in je eigen onvolkomenheid is de mooiste manier om in de wereld en tegenover God te staan. Omdat je daardoor nederig blijft. En nederigheid is een weg naar de erkenning van God, en naar een goede manier van omgang met anderen. Accusatio sui – jezelf in staat van beschuldiging stellen, is laudatio Dei, de lof aan God. Daarmee geef je jezelf als het ware uit handen en erken je dat er één geheel is dat jou onbegrijpelijk overstijgt en waarvan jij een zinvol deel bent.” Het gangbare beeld van Augustinus is: die man die de erfzonde heeft uitgevonden en het christendom lichaamsvijandig gemaakt. “Kijk, ten diepste is de mens niet slecht. Wij zijn geschapen naar het beeld van God. Het hoogste deel van de ziel, het meest mysterieuze deel omdat hierin het meest het beeld van de mysterievolle God weerspiegeld is, is dus ook bestemd om ooit bij God te zijn. Maar: na de dood, niet tijdens het leven. Want, zegt Augustinus, in deze wereld bevinden we ons in de tragiek van het seculum, tijd en ruimte. Geschapen zijn naar het beeld van God betekent dat de mens ook de vrijheid ten deel valt die in God is en die dieren niet hebben. Maar doordat de mens al in het begin van de geschiedenis zichzelf als centrum van de wereld wilde zien, zijn we in dat krachtenveld terechtgekomen van al die mensen die naar eer, roem en aanzien streven, die hoogmoedig zijn. Daar wordt de mensheid geestelijk en lichamelijk ziek van, zegt Augustinus, zó ziek dat de dood het gevolg is. Die hoogmoed is in ons gestel gaan zitten, in onze genen zou je nu zeggen. Van geslacht tot geslacht wordt die hang naar macht doorgegeven. Maar het geluk is noch in jezelf noch in de wereld te vinden, alleen in de persoon van Christus, de geneesheer die neerdaalde uit de hemel op de aarde – nederig werd – om de tumor van de hoogmoed te genezen. Uiteindelijk zullen wij allemaal opgenomen worden in die Christus. Verrijzen wij met lichaam? Nee, het zal niet zo zijn dat wij onze botten bij elkaar moeten schrapen. Maar onze lichamelijkheid wordt meegenomen in de manier waarop wij bij God zullen zijn.” En is Augustinus niet fel gekant tegen seksuele lust? “In eerste instantie denkt hij dat Adam en Eva in het paradijs geen seks hadden. Later als hij ouder wordt, zegt hij dat het niet uitgesloten is, maar dat het daar een heel zuivere daad moet zijn geweest, zonder egoïstische lust. Alle op zichzelf gerichte scheppingskracht – ‘ik wil een boek schrijven, ik wil beroemd worden’ – is een erotische drift. Daarvan zegt Augustinus: dat is de amor concupiscentiae: niet goed en niet slecht. Maar als het meezit, kan die worden ingebed, omvat door de amor benevolentiae. Uiteindelijk wordt de eros omgevormd tot agapè, onzelfzuchtige liefde; niet doodgedrukt of uitgerookt of wat dan ook, nee, omgevormd of ingebed in een kracht die onzelfzuchtigheid en nederigheid in zich heeft.” Heeft Augustinus dat zelf ook bereikt in zijn leven? “Ik vermoed dat hij steeds meer een man is geworden die nederig en onzelfzuchtig leefde voor de gemeenschap. Hij was een man die tegen zichzelf streed. Hij had natuurlijk een groot ego, maar langzaam maar zeker zag hij zichzelf als schakel in de gemeenschap. Augustinus vond dat mensen niet ieder voor zich de weg naar God moeten zoeken. Het grappige is ook dat hij helemaal niet zo’n sterke scheiding tussen mens en dier aanbracht als later Descartes. Die zei dat het dier een automaat is en de mens een schepsel Gods. Voor Augustinus is de hele schepping één dynamiek. Het hoogtepunt van die schepping is de mens, omdat die het meest op God lijkt en een vrije wil heeft. Maar de rest verhoudt zich daartoe in een bepaalde orde. Hij had óók een dialoog met de natuur, net als prinses Irene.” Was Augustinus een ietsist? ‘Wat heb ik lief als ik u liefheb?’ vraagt hij God. En het antwoord is: ‘geen schoonheid van een lichaam, geen geur, geen omhelzing, maar niettemin zoíets als een licht, zoiets als een stemgeluid, zoiets als een geur, zoiets als een omhelzing…’ “Je moet bedenken welk publiek hij probeerde te bereiken. De ontmoeting met een persoonlijke God was in bepaalde neoplatoonse kringen onmogelijk. Om te zorgen dat die neoplatonisten toch hun oren spitsten, had hij het over het goddelijke, een ‘iets’. Vervolgens komt hij met een omschrijving van menselijke kwaliteiten: stemgeluid, geur, omhelzing. Dan zegt hij: nee, het is geen ontmoeting met een iemand zoals ik een ander ontmoet, het is een ontmoeting met iemand die onbeschrijflijk en onkenbaar is. Maar wel met een ‘iemand’. Hij spreekt in de tweede persoon tot God. Maar ook tot de zee, en de bomen. In de natuur voelt hij iets van God, maar het is God niet. Maar als hij in het tiende boek van de Belijdenissen tegen Christus zegt: ‘Tu, medice meus intime’: jij, mijn innerlijke geneesheer, dan is dat in een dialoog-verhouding met een persoon. Hij sluit wel aan bij de gedachtewereld van zijn toehoorders, maar hij neemt ze mee, heel slim, naar zijn levensbesef en zijn levenshouding. En daarin merk je duidelijk dat hij God als persoon wil ontmoeten. Hij vindt hem niet, maar dat wil hij wel. En naarmate hij ouder wordt en door zijn preken en studeren meer vertrouwd is geraakt met de evangeliën, zegt hij steeds duidelijker: God is mens geworden. Iets in een hogere zijnsgraad heeft zich verlaagd door toetreding tot de materie: het Woord is vlees geworden. Daardoor wordt de mens vergoddelijkt. Alleen is dat nog niet helemaal gebeurd voor de hele mensheid, het staat nog uit. Maar de eerste christenen hebben het al ervaren, in Christus. Het programma van wat de mens staat te gebeuren, hebben wij in Christus geopenbaard gekregen. God wordt mens, hij leeft, hij lijdt, hij sterft, en hij verrijst. Dat is ook het programma van het menszijn. Wij leven, wij lijden, wij sterven – en het laatste stuk hebben wij in Christus al gezien: wij zullen verrijzen. Hoe? Onuitsprekelijk, onkenbaar. Wij zien als kleine kinderen, wij kunnen nog geen vast voedsel verdragen, alleen melk: de Schrift is melk voor kleine kindjes. Maar die verrijzenis blijft voor ons uitstaan. Niet in tijd en ruimte, onverklaarbaar, maar die hoop is er, bij Augustinus.” Hij lijkt ook een romanticus avant la lettre, als hij schrijft dat hij de vrouw heeft weggestuurd met wie hij zestien jaar geleefd heeft en dat er een stuk uit zijn hart gescheurd is, dat maar blijft bloeden. “Ik denk dat hij daar nooit meer overheen is gekomen. Je hoort hem over twee dingen nooit praten in zijn Belijdenissen: over de dood van zijn zoon Adeodatus, en over zijn concubine. We weten niets van haar, behalve dat hij schrijft dat hij er maar één had, dus het is echt zijn grote liefde geweest. Zij moest weg van moeder Monnica, omdat Augustinus met een geschikte partij moest trouwen. Dat heeft Augustinus zichzelf naderhand zeer, zeer kwalijk genomen. Hij heeft de liefde van zijn leven weggestuurd om een verstandshuwelijk aan te gaan met een minderjarig meisje. Daar moet hij nog twee jaar op wachten en hij heeft zichzelf in lichamelijk opzicht niet in bedwang, dus hij neemt een scharrel – en dan begint hij zichzelf helemáál dood te schamen. Door al die dingen raakt hij in een crisis en dan zegt hij, na zijn doop in 387: ‘Nu is het genoeg, ik word servus Dei, dienaar Gods.’ Hij moet ook veel van zijn zoon gehouden hebben. Uit de manier waarop hij in het eerste boek van de Belijdenissen schrijft over de lach van een zuigeling wordt zonneklaar dat hij dit heel goed bij zijn zoontje heeft geobserveerd. Onze Isabel was een week oud toen ik eindelijk begreep wat hij bedoelde met ‘deze beweging van glimlach’ - dat is zo’n spiercontractie die je af en toe in een babygezicht ziet. Dat heeft hij dus bij Adeodatus waargenomen. Prachtig! Ik zat daar met ons kleine wezentje en dacht: nu begrijp ik dit stukje Belijdenissen.” Is Augustinus lezen nuttig voor ons, nu? “Ja, absoluut. Tegenwoordig wordt er constant geappelleerd aan je eigen kracht, waarin je moet geloven. Dan denk ik: ja, hartstikke mooi, maar dat is maar een deel van de waarheid. Ook in mij schuilt egoïsme, en daarvan moet ik me bewust zijn. Kijk, mensen van zestig of zeventig hebben al genoeg zelfbeschuldiging meegekregen in hun jeugd. Voor hen zijn sommige preken heel uitnodigend. Maar voor de jongeren van vandaag zijn de Belijdenissen verplichte lectuur. Anders worden ze hoogmoedig.” Is hij dan niet lichaamsvijandig, zoals het gangbare beeld wil? “Totaal niet. In zijn kloosterregels schrijft hij: jongens, zorg voor je persoonlijke hygiëne, ga naar een badhuis. Ben je ziek, ga naar een dokter, want je hebt maar één lijf. De erfzonde staat in het kader van de verlossing door Christus. Als ik hoogmoedig ben, valt er niets te verlossen. Als ik competitief ga denken, zegt Augustinus, verstik ik mezelf. En dan raak ik privatus – geïsoleerd. Als je ook kunt genieten van de voorspoed van anderen, dan ben je vrij. Dat is diep gevoelde nederigheid. Ik ben ook af en toe behoorlijk privatus… dan moet papa zo nodig een boek scoren. Dat is óók de erfzonde, zou Augustinus zeggen. Met het besef van je onvolmaaktheid kun je best gelukkig leven, maar je moet het wel onderkennen. Sommige jongens van mijn leeftijd zijn veel knapper dan ik. Ik word geacht daar jaloers op te zijn, maar dat ben ik niet. Ik heb in Rome gestudeerd en werd daar uitgenodigd door een titulaire aartsbisschop die mij een carrièrepad voorschilderde… heel redelijk. Mijn verstand zei: ik kan carrière maken in de kerk. Maar er was iets in mij, een intuïtie of roeping, waardoor mij duidelijk werd dat dit pad niet van mij gevraagd werd. Toen ik dat onderkende, heb ik tegen mezelf gezegd: nu moet ik ook nooit meer zeuren over carrièrekansen. En toen was ik vrij. Het was een soort bekering zoals Augustinus die in zijn tuin had. Er zouden er nog vele volgen. Toen ik vier jaar pastoraal werker was geweest, bijvoorbeeld, in Rotterdam Ommoord, heb ik pas begrepen wat Augustinus bedoelde toen hij schreef: ‘Als wij liefhebben, worden we mooi’. Ik sprak een stel toe dat vijftig jaar getrouwd was. Hij zat in een rolstoel, met een dichtgeplakt oog, en zij daarnaast. Hij zocht haar hand – en ik brak, want ik wist ineens wat Augustinus bedoelde. Die mensen waren biologisch-technisch gezien aan het aftakelen, maar hun huid glansde. Ik dacht: dat is het enige dat een mens in het leven te zoeken heeft: de liefde, de caritas, als mooiste en meest mysterieuze kracht in de geschiedenis van mensen. Dat is een bekeringservaring. Noem het maar genade. Mijn boek Stellig maar onzeker is ook een persoonlijke zoektocht naar God geweest. Ik ben wetenschapper, maar ook gelovige. Ik leef in het besef dat ons dingen worden doorgegeven vanuit die eerste christengemeenschap waaruit wij een onverklaarbare hoop kunnen putten.” Nieuwe preken: bekend geluid Onlangs zijn in de bibliotheek van het Oostenrijkse Erfurt een stuk of zeven onbekende preken gevonden van Augustinus. Werpen ze nieuw licht op Augustinus of zijn ideeën? “Nee”, zegt Paul van Geest, die de teksten nog niet onder ogen heeft gehad maar wel gehoord heeft wat er in staat. “Het is natuurlijk fascinerend dat er van de grootste kerkvader die wij hebben, nog nieuw werk wordt gevonden. Een jaar of tien geleden zijn er ook brieven ontdekt. Zijn tekstcorpus is dus nog niet helemaal afgebakend. Dat is spannend. Maar je moet het niet te veel opkloppen. Wij weten al met wie we het genoegen hebben.” Prof.dr. Paul J.J. van Geest (1964) studeerde Nederlandse Taal-en Letterkunde aan de Universiteit Leiden, filosofie en theologie aan de Pontificia Universitas Gregoriana te Rome. Hij promoveerde in 1996 op een dissertatie over Thomas a Kempis aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, en werd in 2001 benoemd aan de KTU (thans KTF) en in 2005 aan de VU als hoogleraar Augustijnse studies. In 2007 werd hij directeur van het interuniversitair Centrum voor Patristisch Onderzoek van de UvT en de VU. Van Geest is getrouwd en heeft twee dochtertjes. Zijn meest recente boek is Stellig maar onzeker, Augustinus’ benadering van God, uitgeverij Damon, 252 blz., € 24,95. Bron: Volzin. |
||
| |