Faculteit Katholieke Theologie
Media-exposure medewerkers
Startpagina / Faculteit Katholieke Theologie / Universiteit van Tilburg / 2010 / 2009 / 2008

Identiteit: op zoek naar een nieuw wij
Theo de Wit, Friesch Dagblad, 17-03-08; Goede Leven, 21-03-08

Heeft Nederland een nieuw ‘wij’ nodig? En hoe zou dat eruit kunnen zien? Op deze vraag zijn diverse antwoorden mogelijk. Sommige bevatten bruikbare elementen, andere zijn onrealistisch en net zo gevaarlijk als de nazi-ideologie, stelt Theo de Wit.

Het toverwoord van de afgelopen tien jaar was ‘integratie’, en de politieke onrust die ons land zelfs in het buitenland in de schijnwerpers heeft geplaatst had meestal iets met integratie te maken. Maar wat is eigenlijk het einddoel van integratiebeleid? Wanneer is het genoeg geweest, wanneer hebben we het nieuwe ‘wij’ bereikt? Laten we die vraag eens voorleggen aan de diverse standpunten in het debat van het afgelopen decennium. Ik onderscheid vijf antwoorden, die allemaal tevens een antwoord inhouden op de vraag naar de contouren van het ‘wij’ dat in het verschiet ligt of moet worden verdedigd.

Een eerste antwoord luidt, dat integratie geen eenzijdig proces is, maar dat Nederlanders samen met de migranten en hun kinderen op weg zijn naar een nieuwe, ‘multiculturele’ samenleving. Integratie is geslaagd als die samenleving gezamenlijk wordt vormgegeven. Het ‘wij’ is een project van de toekomst, gedragen door ingezetenen en nieuwkomers gezamenlijk op basis van gelijkheid. Het ‘recht op verschil’ en ‘diversiteit’ zijn in dit antwoord de belangrijkste beginselen.

Een tweede antwoord benadrukt dat migranten en nieuwkomers net als de Nederlanders de universeel geldige mensenrechten moeten eerbiedigen. Integratie is dan geslaagd wanneer iedereen zowel in eigen kring als in de omgang met mensen daarbuiten de mensenrechten respecteert. In deze visie zijn wij allemaal wereldburgers, of zijn we op weg om dat te worden.

Een derde, meer pragmatisch antwoord beschouwt de integratie als geslaagd wanneer nieuwkomers goede schoolprestaties hebben behaald en succesvol zijn op de arbeidsmarkt. Nederland, opgevat als een succesvolle, concurrerende economie en onderdeel van het economisch globaliseringsproces, geeft hier de definitie van het ‘wij’: BV-Nederland. Zogenaamde ‘succesvolle allochtonen’ staan in dit model tegenover de loosers op school en op de arbeidsmarkt.

Een vierde antwoord benadrukt dat migranten en nieuwkomers ‘moderner’ moeten worden. Hier geldt de integratie als geslaagd als dezen gaan lijken op seculier en ‘verlicht’ denkende westerse burgers. Seculiere burgers worden hier ten voorbeeld gesteld aan mensen met vermeend ‘fundamentalistische’, traditioneel-godsdienstige en ‘tribale’ loyaliteiten. Bij degenen die dit model aanhangen is Ayaan Hirsi Ali vaak de heldin, omdat zij binnen enkele jaren veranderde van een fundamentalistische moslim in een atheïstische verdediger van de Verlichting. Het ‘wij’ van de toekomst is in dit antwoord niet zelden de a-religieus geworden mensheid.

Het vijfde antwoord luidt dat migranten moeten assimileren in de Nederlandse cultuur. Integratie is geslaagd in de mate waarin migranten niet alleen kennisnemen van de Nederlandse cultuur en de vaderlandse geschiedenis, maar zich ook identificeren met Nederlandse gewoontes, gevoeligheden en overgevoeligheden. Het ‘wij’ is hier de nationale staat Nederland met zijn nationale cultuur en historische erfenissen.

Veel van de politieke en maatschappelijke turbulentie van de afgelopen tien jaar kan worden samengevat in de vaststelling, dat er vooral de laatste zes of zeven jaar in ons land een snelle verschuiving heeft plaatsgevonden van de eerste naar de laatste paar antwoorden. Vanzelfsprekend zijn de meeste praktisch-politieke beleidsvoorstellen combinaties van deze vijf antwoorden, en zelf vermoed ik dat een uitgekiende mix van deze antwoorden het antwoord bevat op de vraag naar het nieuwe ‘wij’. Hoewel er terecht afstand is genomen van een rozige versie van een ‘multiculturalisme’ dat cultuurverschillen kritiekloos verwelkomt, is het opmerkelijk dat we de laatste jaren in een soort ‘culturalisme’ verzeild zijn geraakt. Dat heeft de neiging voor alle problemen culturele en religieuze oorzaken te zoeken, zodat de oplossing ervan ook in de sfeer van (nationale) cultuur en religie ligt. En hier worden nieuwe, zelfs gevaarlijke illusies over nieuwe saamhorigheid geboren.

Laten wij voor een moment eens te raden gaan bij onze zuiderburen, de Vlamingen, die al langer ervaring hebben met meer radicale dromen over een nieuw ‘wij’. De Vlaams Belang-slogan ‘vreemdelingen buiten’ wijdt de maatschappelijke problemen aan een zogeheten volksvreemde groep. Wie nauwkeurig luistert naar de zaken waartegen het Vlaams Belang zich zoal richt (tegen vreemdelingen, tegen criminaliteit, tegen corruptie, tegen abortus enz) kan zich een goed beeld vormen het ideale ‘wij’ van deze partij. Het is - zo schrijft de Vlaming Gorik Ooms in een opmerkelijke analyse van deze politieke beweging die in Vlaanderen 24 procent van de stemmen krijgt - ’een samenleving waar iedereen elkaar kent (vreemdelingen worden alleen getolereerd indien zij zich geheel aanpassen en dus geen vreemdelingen meer zijn), waar allen broeders zijn. In die samenleving lossen alle problemen zich vanzelf op. De ware leider zal zijn volk niet bedriegen, corruptie is dus uitgesloten. De volksverbonden mens zal zijn broeder niet bestelen, zo verdwijnt de criminaliteit. Kinderen van Vlaamse ouders worden in liefde verwekt, abortus komt niet meer ter sprake. In het gezin zal veel warmte en aandacht naar de kinderen gaan, daarom zal de moeder vrijwillig thuisblijven en bijgevolg verdwijnt de werkloosheid. De Vlaamse jongeling zal in harmonie met zijn omgeving opgroeien en niet naar drugs verlangen. De Vlaamse werkgever zal niet louter aan zijn eigenbelang denken, hij zal samen met zijn Vlaamse werknemers bouwen aan de vooruitgang van Vlaanderen, de vakbonden worden daardoor totaal overbodig. In een volksdemocratie volstaat één enkele partij, degenen die zich in de ware partij niet kunnen terugvinden zijn het niet waard om het volk te belasten met conflicten.’

Voor wie nu denkt dat dit mierzoete ideaal waarvan elk mens van vlees en bloed het Spaans benauwd krijgt een slechte Belgenmop is, verwijs ik even naar de beweging Trots op Nederland die Rita Verdonk onlangs is begonnen. Aan Verdonk werd eens de vraag voorgelegd of de moordenaar van Theo van Gogh Mohammed B. volgens alle gangbare criteria niet gewoon goed geïntegreerd was. ‘Kennelijk niet’, was haar antwoord. Hier zien we de trekken van hetzelfde ‘wij’ als waarover het Vlaams Blok droomt. In een gezonde samenleving, waarin iedereen moreel en cultureel volledig is geïntegreerd, gebeuren zulke verschrikkelijke dingen zoals een moord niet. Daar verloopt alles vreedzaam en harmonieus. De integratie begint hier ijzingwekkend omvattend en vooral volstrekt onrealistisch te worden. Want is een volkseenheid waar louter broederlijkheid heerst niet een gevaarlijk volkssprookje?
Nog een stap verder gaat de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders. Op zijn voorstel om de Koran in Nederland te verbieden is in binnen- en buitenland aanvankelijk soms lacherig, soms verbaasd en ook wel ontsteld gereageerd. Toch is het van belang de bijzondere logica van Wilders’ betoogtrant goed te onderkennen.

In Wilders’ visie leven we in een soort politieke noodtoestand, waarin onorthodoxe maatregelen nodig zijn om onze democratische orde te redden, zoals de afschaffing van de godsdienstvrijheid voor moslims. Wilders is dan de redder in de nood die ons komt bevrijden van het Paard van Troje van de Islam. Nu is afschaffing van de godsdienstvrijheid slechts mogelijk wanneer men de vrijheid om zelf een religie of levensbeschouwing te kiezen vervangt door een staatswaarheid. Maar over wat die waarheid is, daarover blijven Wilders c.s. rijkelijk vaag. Soms krijgt men daardoor de indruk dat het ‘wij’ van Wilders vooral te danken is aan een vijand met scherpe contouren (de Islam).


Voor wie de geschiedenis van de opkomst van het nationaal-socialisme kent komt deze kwestie bekend voor. Was het nieuwe ‘wij’ van de nieuwe orde van het nationaal-socialisme nu gefundeerd in het ‘Arische ras’ dat de Führer met zijn volk verbond, zoals zij zelf beweerden? Of kan wat een ‘Ariër’ is slechts worden bepaald door het feit dat iemand in elk geval geen niet-Ariër is, zoals critici van de nazi’s vermoedden? Dan is de eenheid van het volk louter mogelijk gemaakt door de afgrenzing tegen een ‘rasvreemde’ vijand. Deze vraag dient ook aan Wilders’ partij te worden gesteld. Is wat ons Nederlanders bindt een soort christelijke volksreligie die ook nieuwkomers moeten overnemen, of bestaat onze identiteit er alleen in dat wij in elk geval géén moslims zijn? De eerste mogelijkheid moet als een illusoire terugkeer naar een ver verleden worden beschouwd. De tweede mogelijkheid zadelt ons ironisch genoeg op met een forse identiteitscrisis, zodra Wilders’ ideaal (een Nederland zonder Islam) is verwerkelijkt. Die identiteit was immers van onze tegenstander afhankelijk! Het wordt dus tijd dat wij afscheid nemen van de nieuwe utopische vormen van het ‘wij’, en terugkeren naar de praktische problemen van het samenleven.

Bron: Friesch Dagblad / Het Goede Leven

Deze site wordt bijgehouden door Frank G. Bosman.