| |
Herman Finkers, Na de pauze
Recensie, KatholiekNederland.nl, 11-10-09
De katholieke cabaretier Herman Finkers vocht zich een weg langs de rand van de dood. Na zeven (bijbelse) jaren stond hij weer op de planken met de voorstelling ‘Na de pauze’, een verwijzing naar zijn dodelijke ziekte die hij (tijdelijk?) overwon. Finkers zet als clown/theoloog een voorstelling neer over geloof, wetenschap, liefde en de dood.
“Theologen zouden wat meer humor moeten hebben,” zei Herman Finkers in dagblad Trouw, dat ter gelegenheid van zijn voorstelling twee pagina’s aan hem wijdde. Religie en humor zijn inderdaad geen gemakkelijk paar. ‘Jezus heeft nooit gelachen,’ zei de gekke monnik in Umberto Eco’s In de Naam van de Roos en was bereid te sterven voor dat geloof. Jezus doet inderdaad van alles in het Nieuwe Testament – eten, drinken, huilen, zwijgen – maar hij lacht niet. De reserve van de evangelisten ten opzichte van een lachende Jezus is waarschijnlijk dezelfde als van veel gelovigen door de eeuwen heen: geloof is een ernstige zaak, voor je ’t weet ga je naar de hel. Lachen is losbandig, ongeremd, ongeordend en vooral oneerbiedig. God, daar maak je geen grapje over.
Humor
Finkers is de advocaat van het ongelukkige paar van geloof en humor. “Rooms-katholieken gebruiken humor om dichter bij het mysterie te komen.” Katholieken zijn grappig over hun geloof om des te geloviger te kunnen zijn. Criterium tussen botte belediging en ‘mysterieuze’ humor is volgens Finkers de ontroering. “Hoe kan iets godslasterlijk zijn als het ontroerd?” De cabaretier voelt zich duidelijk geestverwant met die andere katholieke clown/theoloog Gerard Reve. Finkers vat diens leven van gevechten met zichzelf, zijn seksualiteit en met God samen in: ‘geroepen de liefde te leven, maar gedoemd daarin te mislukken’. Finkers verwijst naar Reve’s bidprentje: ‘Mijn verlangen vecht naar U’ en herkent daarin de woorden van de kerkvader Augustinus. Dezelfde Augustinus die zei ‘Heer maak me kuis, maar nu nog niet’, woorden die door de popzanger Robbie Williams voor een nieuwe generatie werden ontsloten: ‘God make me pure, but not yet’ (Make me pure).
Halfzachte nicht
De cabaretier is niet blind voor de ‘zwakheden’ van zijn inspirator, vooral diens grove sadisme. Reve probeert Finkers soms van zijn geloof af te brengen, “net als kerkvorsten en sommige Bijbelpassages”, maar “dat zal ze niet lukken!” De kracht van het geloof in bijbel en drie-ene-God ligt volgens Finkers juist in die ongemakkelijkheid: “De bijbel is doorspekt met onbegrijpelijke passages waar de honden geen brood van lusten en waarin de Schepper zich van een wrede sadistische kant laat zien waarbij vergeleken Reve een halfzachte nicht is.” De bijbel is voor Finkers geen telefoongids die met de komst van internet overbodig is geworden. De bijbel blijft, juist vanwege diens ongemakkelijke karakter.
Katholiek
Finkers katholicisme is een vanzelfsprekend decor voor zijn show en teksten. Wierook, wijwater, misdienaars, koorknapen, pastors, kapelaans, Goede Week, Pasen, Stabat Mater, In paradisum, het vliegt met een zelden meer vertoonde vanzelfsprekendheid om je oren. Finkers getuigt van een soort vriendelijke nabijheid van en omgang met het goddelijke: “Daarboven in de hemel zien wij elkander weer / daar drinken wij een glaasje met Onze Lieve Heer.” De cabaretier neemt zichzelf ook niet te serieus. Hij kweelt over een Fuchsia die naar hem vernoemd is en over de vele lovende artikelen in kranten en tijdschriften: “Een levende legende, een hele grote held / de paus verklaart me heilig / m’n relieken zijn besteld.”
Ziekte
Als rode draad door de show loopt Finkers ziekte: van het moment dat hij ziek werd (leukemie), via het ziekenhuis, de operaties, het langzaam weer opklauteren uit het dal tot aan zijn nieuwe show. Hij wilde geen psychologische hulp: “dat zijn geen gewone gekken, ze hebben er ook nog voor geleerd”. De dood en lijdenspelen dan ook een belangrijke rol in Na de pauze. Als Finkers confronteert wordt met een vriend wiens verkeerde been wordt afgezet, meent hij dat dit komt omdat we op aarde zijn, “in de hemel wordt altijd het goede been afgezet”. Een dominee confronteert hem na de voorstelling met zijn ‘domme theologie’. “Ik denk dat de dominee daar gelijk in heeft, want uiteindelijk weten protestanten veel en veel meer van de Bijbel dan katholieken. Ze snáppen het wat minder, maar ze wéten er veel meer van.” De dood is voor Finkers een ‘gevoelig jongetje dat van dansen houdt en van kunst’. Hij is Finkers ‘uiteindelijke minaar’.
Hemelbestormend
Ook Finkers vrouw speelt een belangrijke rol in de show. Zijn grappen over haar zijn vol tederheid: “Mijn vrouw ook: talloze malen liep ze door het huis: ‘Ik ga bij je weg, ik ga op een flatje wonen, in spring in het kanaal…’ En meer van dat soort loze beloften…” Finkers bezingt zijn vrouw als zij vrijen wil met hem. Over zichzelf: “Met een lichaam waar ik echt van gruw / veel te harig, hoekig en te ruw / maar een vrouw is zo mentaal bedeeld / dat ze daarmee graag de lakens deelt.” Bij de aanvang van de pauze, boetseert Finkers zijn vrouw in de lucht en heft haar hoog, heel hoog boven zijn hoofd als een vrouw die de hemel bestormt. Finkers aanbidt zijn God in de persoon van zijn vrouw, die hij van Hem gekregen heeft. ‘Credo quia absurdum’ (ik geloof, omdat het waanzin is), verzucht hij.
'Zuurstoffabriek'
Dat waanzinnig geloof is Finkers lief. “Iedereen die katholiek is, is zeer hoogstwaarschijnlijk niet goed bij zijn hoofd. Laten we wel wezen. Maar iemand die niet-katholiek is, is in ieder geval niet goed bij zijn hoofd. Het katholicisme geeft nog een klein sprankje hoop. Het enige en hoogst haalbare wat een mens in zijn leven mag verwachten.” Finkers rekent in zijn slotmonoloog af met de ‘dogma’s’ van de moderne samenleving waarin één en één altijd twee zijn, en waarin een boom ‘slechts’ een zuurstoffabriek is. Finkers haat het platte reductionisme, het doodt alle poëzie. Pas toen een kapelaan op zijn school kwam, begon hij weer adem te krijgen. De kapelaan vertelde over ‘1=3’ (de triniteit) en over de Boom van Goed en Kwaad, en die van Eeuwig Leven. “De kapelaan barstte van de verhalen met Ruimte. Zo zei hij: ‘God is het begin van alles… Voor God was er niets… En Maria is zijn moeder!’” Credo quia absurdum.
Herman Finkers, Na de pauze, Thomas Rap: Amsterdam (2009), 9789060058039. Dit boek is gepubliceerd naar aanleiding van de gelijknamige show en bevat behalve de cabaretteksten ook de teksten uit het programmaboekje, inclusief een verrassend essay over ‘collega’ Gerard Reve.
Bron: Deze recensie is gepubliceerd op KatholiekNederland.nl.
|