|
De eeuwig onbegrepen Hugo Ball
Artikel, Katholiek Nieuwsblad, 11-09-09
De Duitse dadaïst Hugo Ball verloor zijn katholieke geloof en vond het op dramatische wijze weer terug. Wat bleef, was het onbegrip: zowel van zijn oude kunstenaarsvrienden als van zijn hervonden geloofsgenoten.
Hugo Ball werd in 1886 geboren in een katholiek gezin uit het zuiden van Duitsland. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van München waar hij kennis maakte met de filosofie van Nietzsche en met de Russische anarchisten. Van 1908 tot 1910 concentreerde hij zich op zijn doctoraalscriptie over Nietzsche. Plotseling verliet hij de universiteit, zelfs zonder zijn studie af te maken. Van het geloof van zijn kinderjaren was weinig meer over. Hij stortte hij zich met wisselend succes op een toneelcarrière. In 1914 gaf hij zich een aantal keren tevergeefs op als vrijwilliger bij het Duitse leger. Een private trip naar de slagvelden van België genas hem echter voorgoed van zijn oorlogshonger. In 1914 vluchtte hij met zijn latere vrouw Emmy Hennings naar het neutrale Zwitserland.
Afbraak
In februari 1916 richtte hij Cabaret Voltaire op met vrienden-kunstenaars als Hans Arp (1887-1966), Richard Huelsenbeck (1892-1974) en Tristan Tzara (1896-1963). Het was een soort literair café waar kunstenaars hun nieuwe experimenten presenteerden. Het begin van een beweging die bekend geworden is onder de naam 'Dada'. De dadaïsten wilden de werkelijkheid geheel afbreken om tot een nieuwe, betere wereld te komen. Deze afbraak ging niet via de bommen en granaten van de Eerste Wereldoorlog, maar door het ontledigen van de taal zelf. Een nieuwe en zuivere klanktaal moest ontworpen worden.
Klanken
Op 23 juni 1917 trad hij op in Cabaret Voltaire, gekleed in een paarse mantel. De dichter staat op de planken, gestoken in een kostuum van kartonnen kokers die zijn borst, benen en armen bedekken. Zijn handen gaan schuil onder brede papieren klauwen, om zijn hals is een glanzende kraag gedrapeerd en op zijn hoofd prijkt een hoge, cilindervormige hoed met strepen. Hij las zijn klankgedicht gadji beri bimba voor: louter ritme en klank, geen betekenissen meer in de gewone zin van het woord: "gadji beri bimba / glandridi lauli lonni cadori" etcetera. De voorstelling maakt een verpletterende indruk op vooral Ball zelf. In zijn dagboek schrijft hij:
“Toen bemerkte ik dat mijn stem geen andere weg meer overbleef dan de oeroude cadans van de priesterlijke jammerklachten aan te nemen in de stijl van de misgezangen, zoals die door de katholieke kerken van het Morgen- en Avondland weeklaagt.”
Magische bischop
Ball moest onder het uitspreken van dit ‘loze’ gedicht in Cabaret Voltaire ineens terugdenken aan zijn katholieke jeugd, aan de lamentaties bij een requiem-mis. Zijn stem nam de toon aan van het gregoriaans en de kerkelijke gezangen. Daarmee kreeg zijn optreden een diep religieuze bijklank. De chaos van de wereld en de absurditeit van zijn eigen performance bezworen via een beroep op een oude, kerkelijke traditie. Aan het einde ging het licht uit en werd hij van het toneel gedragen in volle duisternis, naar eigen zeggen, ‘met zweet bedekt als een magische bisschop’. Op 7 december 1919 beschrijft Ball wat er met hem gebeurt als hij het Credo in het Latijn meezingt:
“Vanavond zong ik opeens het Credo, zoals het mij in de laatste weken door mijn wezen gaat. [...] De woorden overdonderen mij. De kinderwereld staat op. Het vecht en tiert in mij. Ik buig mij diep, ik vreesde tegen dit leven, deze overvloed niet opgewassen te zijn. Dat zou ik vroeger niet voor mogelijk gehouden hebben. Misschien moet men alles geloven […] Wat is dat toch voor een wonderbaarlijk gezang!”
Drie woestijnheiligen
In 1923 publiceerde Hugo Ball één van zijn meesterwerken: Byzantinisches Christentum. Het verscheen drie jaar na zijn dramatische bekering en vormt een levendig testament van zijn nieuw hervonden katholicisme. Hij beschrijft de levens van drie zesde eeuwse woestijnheiligen: Johannes Climacus, Dionysios de Areopagiet en Simeon de Pilaarheilige, allen radicale asceten. Deze drie levens zinnebeelden voor Ball de drie mogelijke wegen om één te worden met God. Johannes was een abt van een monnikenklooster in de Sinaï-woestijn. Hij lijkt het meeste in contact te staan met de H. Geest omdat hij een boek geschreven heeft over de trap-met-dertig treden die tot God zelf leidt. Dionysius is een christelijke filosoof die schreef over de hiërarchie van engelen. Volgens Ball werd hij door de engelachtige Zoon gedreven. Simon verbleef veertig jaar op een paal in de woestijn ergens in Syrië. Zonder eten en drinken verrichtte hij gedurende die tijd vele wonderen. Vanwege zijn verheven positie komt deze het meest in de buurt van God de Vader.
Onbegrepen
Niemand begreep de arme Ball. Zijn oude kunstenaarsvrienden beschouwden zijn bekering als verraad aan de avant-gardistische zaak en de katholieke theologen bekritiseerden Balls overdreven hang naar ascese en theocratie. Op 14 september 1927 sterft Ball aan kanker, in het bijzijn van zijn vrouw en stiefdochter. Hij werd 41 jaar oud.
Drs. Frank G. Bosman is als theoloog verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg. Bovenstaande tekst is een fragment uit zijn artikel in het boek Avant-garde en religie. Over het spirituele in de moderne kunst 1905–1955 dat hij samen met Theo Salemink redigeerde (Van Gruting: Amsterdam, 97890 75879 490, 375 p., circa € 25). Op zondag 13 september wordt het boek feestelijk gepresenteerd op een minisymposium in het Haagse Gemeentemuseum. Mgr. Van Luyn zal het eerste exemplaar in ontvangst nemen.
|