|
En jou noemen we vis
19-12-07
Giegelend verstop je je gezicht
in de oksels van een boom
die staat in een eeuwenoude tuin
Het is winter en de planten zijn dood
Het water is verstijft, de hemel grijs
Geen ander geluid dan de stilte
Geen mens is te bekennen
alleen dieren overal
en je strekt je hand naar de boom
In de holte vind je een slang
die zich kronkelend en sissend
opmaakt voor zijn giftige aanval
Giegelend strijk je de koude slang
over zijn schubbenhuid en lacht,
speelt, praat en houdt van hem
De slang verandert in een leeuw
brulend en met waanzin in de ogen
maar je kietelt hem in zijn manen
En mak als een lam geworden
likt hij je handen één voor één
en blijft je volgen, overal
tegen de leeuw: jou noem ik Daniel
tegen de slang: jou noem ik Enoch
en tegen jou: jou noemen we vis
En giegelend verstop je je gezicht
in de oksels van een boom
die staat in een eeuwenoude tuin
|