|
Verplicht priestercelibaat:
tussen geschiedenis en moderniteit
Artikel,
Isidorusweb.nl, 05-12-06
Tachtig procent van de seculiere priesters in Vlaanderen is voorstander van afschaffing van het verplichte priestercelibaat. De geestelijken menen dat zo het nijpende priestertekort kan worden opgeheven. Dat blijkt uit een exclusieve enquête van Het Belang van Limburg en Gazet van Antwerpen over het leven en denken van Vlaamse priesters.
Kardinaal Godfried Danneels van België reageert gematigd: “Iedereen weet dat het celibaat een kerkelijke regel is die kan veranderen. Maar ik denk niet dat er zoveel gehuwde mannen staan te trappelen om priester te worden. Het probleem zit volgens mij dieper. Bij de vraag namelijk of mijn geloof zo sterk is dat ik er mijn hele leven aan kan wijden.” In Nederland staat de recente uittreding van drie jonge priesters nog vers in het geheugen. Alle drie vermelden ze uitdrukkelijk dat moeilijkheden rond het celibataire leven de hoofdreden voor hun vertrek was.
Ook in Rome houdt de celibaatskwestie de gemoederen bezig. De nieuwe prefect van de Congregatie voor de Clerus, de Brazilaanse kardinaal Claudio Hummes, leek een maand geleden een voorzichtige opening te formuleren in het standpunt van het Vaticaan. Na aanleiding van een Vaticaans topoverleg over het celibaat zei hij: “Alhoewel de celibataire priesters deel uitmaken van de geschiedenis en de cultuur van de katholieke kerk, kan de Kerk over het onderwerp nadenken, omdat het celibaat geen dogma is maar een disciplinaire norm.” Een paar dagen daarna moest hij zijn woorden echter terugnemen: “De kwestie op dit moment niet aan de orde is bij de kerkelijke autoriteiten.” Aanleiding voor het topberaad is de excommunicatie van de gehuwde aartsbisschop Emmanuel Milingo die onlangs een organisatie voor gehuwde priesters oprichtte.
De celibaatsverplichting voor priesters en kloosterlingen is een kerkelijke wet, en geen goddelijke. Dat wil zeggen dat het hier niet gaat om een onfeilbare geloofsuitspraak die onderschreven dient te worden, maar op een ‘gewonen’ kerkelijke bepaling. De celibaatsverplichting is gebaseerd op het leven van Jezus dat in de traditie van de kerk als celibatair wordt geschetst. De eerst ‘paus’, de apostel Petrus, was echter wel getrouwd net als vele pausen, bisschoppen en priesters in de eerst eeuwen van de christelijke kerk. “Jezus ging naar het huis van Petrus en zag diens schoonmoeder met koorts op bed liggen.” (Mat. 8, 14)
Geschiedenis
Een van de eerste kerkelijke overheidsbekleders die over de wenselijkheid van priesterlijk celibaat dacht en schreef, was paus Siricius (384 - 399). In zijn ‘Decreta’ en ‘Cum in Unum’ stelt hij dat seksuele onthouding een apostolische praktijk is. En daarom verdient dit voorbeeld navolging van de clerus. Deze tendens tegen de algemeen aanvaarde praktijk van gehuwde priesters werd voortgezet op de synode van Elvira en Carthago.
Synode van Elvira: 'afstand'
De bisschoppensynode in het Spaanse Elvira (300-306) schrijft in canon 33: “Het is besloten dat het huwelijk in het geheel verboden is voor bisschoppen, priesters en diakens, voor alle clerici die onder de bisschoppelijke jurisdictie vallen, en zijn moeten afstand nemen van hun vrouw en geen kinderen krijgen. Iedereen die dit toch doet, zal de eer van het kerkelijk officie worden ontnomen [als priester geschorst worden].” Deze synode had alleen zeggingskracht over de Spaanse kerk en niet voor de gehele wereldkerk.
Synode van Carthago: 'perfecte kuisheid'
Datzelfde geldt voor de bisschoppensynode van het Noord-Afrikaanse Carthago. In canon 3 staat: “Het is gepast voor de heilige bisschoppen en de priesters van God, zowel als voor de Levieten (dat zijn degenen die in dienst staan van de heilige sacramenten) om absolute [seksuele] onthouding te onderhouden, opdat zij in alle eenvoud mogen verkrijgen wat zij van God vragen. Wat de Apostelen leerden en wat in de Antieke Wereld [Grieks-Romeinse context van het jonge Christendom] al gebruikelijk was, laat ons pogen dat te behouden (…) Het behaagt ons dat bisschop, priester en diaken, de behoeders van de zuiverheid, afzien van echtelijke gemeenschap met hun vrouwen, zodat zij die aan het altaar dienen, een perfecte kuisheid behouden.”
Concilie van Lateranen: 'onreinheden'
In 1123 en in 1139 werden het Eerste en Tweede Concilie van Lateranen gehouden. De bepalingen van een concilie zijn – in tegenstelling tot een synode – wel voor de hele Westerse kerk geldig. Wat begon als een lokale onderneming van bisschoppen wordt een breed gedragen idee in de hoogste kerkelijke kringen. Canon 6 van Lateranen II bevestigt de canon 21 van haar direct voorganger: “Wij verordineren dat zij die in het subdiakenschap [oude wijding voor die van diaken en priester] zijn of in hogere (wijdings)ordes, en die een huwelijk zijn aangegaan of concubines hebben, dat zij hun dienstwerk [schorsing als priester] en kerkelijke vergoedingen [kerkelijk salaris] worden ontnomen. Omdat zij de tempel van God zijn en genoemd zouden moeten worden, de schaal van God, de bode van de Heilige Geest, is het ongepast dat zij zich bezig houden met huwelijk en onreinheden.”
In 1967 bevestigde paus Paulus VI nog eens het kerkelijke standpunt in zijn encycliek ‘Sacerdotalis Caelibatus’, dat letterlijk ‘het Priesterlijk Celibaat’ betekent.
Praktische argumenten: vrij voor de kerk
Voor het verplicht stellen van het celibaat zijn drie soorten argumenten te geven (en deze zijn ook gegeven in de geschiedenis van de r.-k. kerk). Het eerste praktische argument is dat een celibataire priester voorkomt dat de kerkelijke bezittingen worden versnipperd over de zonen (en/of dochters) van de priester. Als een celibataire priester sterft, vervalt zijn kerkelijke bezittingen aan de bisschop. Dit argument geldt in onze moderne samenleving niet meer, omdat het erfrecht nu dit soort zaken regelt, ook voor priesters.
Een tweede praktisch argument is dat een celibataire priester in financiële en emotioneel-religieuze zin meer afhankelijk is van zijn collega-priesters en zijn bisschop. Belangenconflicten tussen gezin (vrouw en kinderen) en kerk (bisschop) worden zo voorkomen. Een aanverwant argument is dat niet-getrouwde priesters makkelijker te verplaatsen zijn tussen de ene en de andere parochie.
Antropologische argumenten: vrij van smetten
De spirituele zuiverheid die voor een priester vereist is als hij de sacramenten bedient, vereist tegelijkertijd dat hij zich afzijdig houdt van ‘bezoedelende’ zaken als seksualiteit. Het standpunt van de kerk tegen gehuwde priesters zit ‘m niet direct in de band die een priester met een bepaalde levenspartner aangaat, maar meer in het feit dat het huwelijk dé plaats (en de enige toegestane) is voor het hebben van seks. Seksualiteit, reinheid en lichamelijkheid staan in slechte reuk in christelijke tradities. Seksualiteit, lust en zonde worden aan elkaar verbonden. Op die manier worden lichamelijke reinheid (geen seks) verbonden met geestelijke reinheid (genade), terwijl onreinheid (seks) verbonden wordt met geestelijk verval (zonde). Hoewel de christelijke traditie nooit het huwelijk heeft laten vallen, is er een sterke tendens om de celibataire hoedanigheid hoger te waarderen dan de gehuwde levensstaat.
Theologische argumenten: net als Jezus
Deze voorkeur voor een lichamelijk reine (dus seksualiteitsloze) staat, is ook terug te vinden in de door de kerk gebruikte theologische argumenten. Het is belangrijk om te beseffen dat in de oude documenten vaak ‘huwelijk’ staat waar wij in onze moderne tijd ‘seks’ zouden verwachten. Het eerste theologische argument is dat priesters zoveel mogelijk het celibataire leven van Jezus moeten volgen. Jezus lijkt dit zelf te zeggen: “Er zullen ongehuwden zijn omwille van het Koninkrijk [God]” (Luc. 18,28-30; Mat. 19,27-30; Mar. 10,20-21).
Als religieuze leraar en joodse man van zijn tijd is het zeer onwaarschijnlijk dat Jezus niet getrouwd was. Een ongetrouwde man werd niet serieus genomen. Alle leraren (rabbi’s), schriftgeleerden en tempelpriesters hadden een vrouw en nageslacht. Het niet hebben van kinderen werd gezien als een vloek van God. Een ongetrouwde man was zo goed als ondenkbaar in het mainstream jodendom van Jezus’ tijd. Het blijft echter vreemd dat er geen enkel vroeg-christelijk geschrift te vinden is – apocrief of canoniek – dat expliciet melding maakt van Jezus’ celibaat. Een bewuste keuze van hem om geen vrouw te hebben, zou – dunkt men – wel alle reden hebben gegeven om dit juist wel te vermelden, zoals ook ander controversieel gedrag van Jezus expliciet wordt vermeld. De evangelieën vermelden ook dat Jezus’ leerlingen niet hun handen ritueel reinigen voor het eten, en dat Jezus met zondaars aangaat en zelf onreine vrouwen aanraakt.
Paulus zorgt voor een ander theologisch argument als hij schrijft: “Ik zou liever zien dat alle mensen waren zoals ik, maar iedereen heeft van God zijn eigen gave gekregen, de een deze, de ander die. Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn alleen te blijven, zoals ik.” (1 Kor. 7,7-8) De reden voor deze keus geeft Paulus later in dezelfde brief: “Ik zou willen dat u geen zorgen hebt. Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, dus zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw en een meisje dat nog niet getrouwd is, dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat ze God met heel hun lichaam en geest zijn toegewijd. Maar een getrouwde vrouw draagt zorg voor aardse zaken en wil haar man behagen. Ik zeg dit in uw eigen belang, niet om u aan banden te leggen, maar om u tot onberispelijk gedrag en onverminderde toewijding aan de Heer te brengen.” (32-35)
Moderne argumenten: cultuurkritiek
Een van de nieuwste argumenten voor het verplichte celibaat is het ‘tegendraads’ karakter ervan. In een wereld die steeds meer vercommercialiseert en ver-erotiseerd, kan een bewust ongehuwde (lees: niet aan seks doende) priester een teken zijn van cultuurkritiek en zelfreflectie. Hulpbisschop De Korte verwoordde het onlangs in een interview met de ‘Volkskrant’ als volgt: “Het celibaat wijst vooruit naar de wereld die komen gaat. Christenen geloven dat het leven uitmondt in een voltooid koninkrijk waar instituten niet meer bestaan, ook het huwelijk niet of seksualiteit.
Bron: Isidorusweb.nl
|