|
Tussen kitsch en geloof
Centraal Weekblad, 01-09-06
Wat hebben De Da Vinci Code, het Judas-evangelie en de Vrijmetselaarij met
elkaar gemeen? Bij alle drie gaat het om esoterische kennis, kennis die alleen voor
ingewijden is bestemd. Het is tijd om het begrip esoterie nader onder de loep te
nemen, zegt Frank Bosman van het Theologisch Instituut Luce.
Esoterie is ‘in’. Alleen weet
niemand precies wat het betekent. Daarom wordt
deze naam aan alles en nog wat
verbonden: van kruidenthee tot
wierookstokjes en van wicca tot
en met Stonehenge. Met enige
regelmaat duiken er ‘gnostische’
evangelieën op, zoals recentelijk
van Judas. In prachtige tvdocumentaires
worden Katharen,
Tempeliers en Vrijmetselaars aan
elkaar gekoppeld door ze allemaal ‘esoterisch’ te noemen. En auteurs
als Dan Brown overgieten deze
chaos nog eens met allerlei smeuïge
complottheorieën over een
christelijke kerk die met opzet
belangrijke doch ‘kerkgevaarlijke’
documenten zou hebben verdonkeremaand.
Om in deze chaos van halve
waarheden en pseudowetenschappelijke
speculaties een eerste
weg te vinden, organiseert
het Theologisch Instituut Luce
(Utrecht) een speciale open collegereeks.
Een voorbeschouwing.
Om eerst maar eens terug te
komen op de recente vondsten
van ‘gnostische evangelieën’, zoals
die van Maria Magdalena, Fillipus,
Thomas en Judas. Deze documenten
zijn niet in de christelijke
bijbel (canon) opgenomen, maar
zijn om verschillende redenen
door de kerkvaders verworpen.
Wat ze gemeen hebben, is het
etiket ‘gnostisch’. En ze bevatten
geen wonderverhalen van Jezus,
geen geboorte- of lijdensverhaal,
noch een verslag van de gebeurtenissen
rond Zijn verrijzenis. In
plaats daarvan bestaan deze apocriefe
geschriften voor het merendeel
uit filosofisch getinte discussies
tussen bijvoorbeeld Jezus en
een uitverkoren leerling (Judas,
Maria Magdalena, enz.).
Het recent gevonden Judasevangelie
vertelt dat de gelijknamige
apostel de enige was die
echt begrepen had wat de missie
van Jezus was. De anderen konden
dit niet omdat ze (nog) niet‘waardig’ of ‘rijp’ genoeg waren.
Dit is een belangrijk kenmerk
van de gnosis. Slechts enkelen
zijn uitverkoren (‘katharoi’, de
gelouterden, later ‘Katharen’) en
kunnen de ‘ware kennis’ (gnosis)
begrijpen. Dit was en is overigens
ook een belangrijk kenmerk van
mysteriegodsdiensten en -sekten. Alleen na een bepaalde inwijding
kan men deelachtig worden aan
de ‘ware leer en kennis’.
Later zouden ook de Katharen
met deze inwijding verbonden
worden, net als de Tempeliers,
hun reïncarnaties in de Romantiek
(‘neo-Templisme’) en de Vrijmetselarij.
Het gemak waarmee al
deze verschillende stromingen en
groeperingen aan elkaar gehangen
worden door middel van één
begrip, ‘esoterie’ of ‘gnosis’ is van
een schokkende eenvoud, die
inderdaad helaas te mooi is om
waar te zijn. De Tempeliers als
bewakers van een geheime, esoterische
wijsheid is het resultaat van
een uit de hand gelopen poging
van enkele Schotse Vrijmetselarijloges
om de Tempeliers en hun
faam voor eigen gebruik in te palmen.
In 1904 werd nog de Ordo
Templi Orientis opgericht door
de Franse occultist en womanizer
Alister Crowley (1875 - 1947)
als onderdeel van de zogenaamde
Ecclesia Gnostica Catholica.
Reïncarnatie
De gnostische evangeliën hebben
verder gemeen dat ze de verlossing
van de menselijke ziel niet
afhankelijk maken van het verlossingswerk
van Jezus, zoals de
canonieke boeken dat wel doen.
Het is aan iedere mens persoonlijk
om zijn of haar ziel te verlossen.
Jezus is een heilig man, maar
niet de Zoon van God; navolgenswaardig,
maar niet ‘Hij die de
zonden van de wereld wegneemt’.
De mens is dus verantwoordelijk
voor zijn eigen heil. Dit idee
wordt tot op de dag van vandaag
teruggevonden in diverse esoterische
stromingen zoals bijvoorbeeld
de Theosofie en de Antroposofie,
vaak in combinatie met
het geloof in reïncarnatie.
In het Judasevangelie is Judas’
actie geen verraad, maar een juist
door Jezus zelf gewenste handeling.
De dood is voor Jezus geen
nederlaag, maar de mogelijkheid
zich te bevrijden van het stoffelijke
lichaam. De gnosis ziet de
stoffelijke wereld waarin wij leven
als kwaad, een uitvinding van een
slechte God. Hoewel deze God
vaak vereenzelvigd wordt met
de God uit het Oude Testament
is de gnosis niet inherent antisemitisch,
zoals wel eens wordt
beweerd. Het hele universum
bestaat uit een gevecht tussen
de machten van het licht en de
machten van de duisternis. Hierin
staat hemel tegenover wereld, stof
tegenover geest, mannelijk tegenover
vrouwelijk, enz. De gnostici
hadden zo’n sterke afschuw
van het lichaam dat Jezus in het
Evangelie van de Egyptenaren
antwoordt op de vraag van een
vrouw “Hoe lang zal de mens nog
lijden?”, “Zolang de vrouw kinderen
krijgt”. Seksualiteit wordt
verworpen als iets dat het kwade
stoffelijke in stand houdt in plaats
van vermindert. Dit verklaart ook
waarom in gnostische evangeliën
elk genezingsverhaal ontbreekt.
Als het lichaam er niet toe doet,
waarom het dan genezen?
Wij zijn gewend naar de kerkgeschiedenis
te kijken als doorspekt
met haat en vijandelijkheid
tegenover seksualiteit, vrouwelijkheid
en lichamelijkheid
(Tertullianus’ “vrouwen zijn de
poorten van de duivel”, en meer
van dat fraais), een kerk met martelaren
en monniken, celibatairen
en maagden. Toch kozen de
kerkvaders voor die geschriften
die weliswaar de superioriteit van
de ziel (en de geestelijk wereld)
bevestigden, maar tegelijkertijd
het lichaam niet vergeten. Tegen
een meerderheid van gnostische,
lichaam- en vrouwvijandige teksten
in heeft de kerk gekozen
voor die geschriften die juist het
lichamelijk willen opnemen in
het geestelijke, het aardse in het
hemelse. Daarmee is het Judasevangelie
een interessante exponent
van een invloedrijke stroming
in het jonge christendom
dat het - tegen de verwachtingen
in - heeft afgelegd tegen een meer
lichaam- en vrouwvriendelijke
visie.
Jeugdliefde
De spirituele jeugdliefde van
de invloedrijke kerkvader Augustinus
van Hippo was het Manicheïsme,
een andere gnostische
stroming, voort gekomen uit het
hoofd van Mani, een profeet uit
een Joods-christelijk milieu. Ook
het Manicheïsme bekend zich tot
een sterk dualisme (kwaad versus
goed). En in dit aspect is Augustinus
altijd trouw gebleven aan
zijn eerste liefde. Het onderwerp
van de kosmische strijd tussen
God en Kwaad is zelf het hoofdthema
uit een van zijn bekendste
werken, De Civitate Dei, ‘de
Stad Gods’. Omdat Augustinus’
leer over genade en verlossing, en
over lichamelijkheid en seksualiteit
veel invloed hebben gehad op
de christelijke traditie, zijn een
aantal meer gnostische elementen
terug te vinden in de orthodoxe
mainstream van de christelijke
kerken. Het ‘seksuaalpessimisme’
dat toch al sterk in de kerk aanwezig
was, kreeg een enorme
steun in de rug gekregen van de
kerkvader die lust, zonde en seks
zo direct met elkaar verbonden
heeft.
De geheime kennis van de gnosis
is dus alleen voor ingewijden
te verkrijgen. De belangrijkste
elementen van deze kennis zijn
kosmisch dualisme, zelf-verlossing
en holisme. Holisme is een
modewoord geworden dat zo’n
beetje alles kan betekenen tussen
een futuristisch hologram en
een intuïtieve weergave van het
geestelijk universum. In de klassiek-
gnostische zin wordt met
holisme bedoeld dat alle soorten
kennis eigenlijk één is. ‘Kent u
zelf ’ schreven de oude Grieken al
op de tempel in Delphi. Wie zichzelf
kent, kent God, en wie God
kent, kent de kosmos.
Alchemie
Deze manier van denken over
kennis kreeg vooral in de late
Middeleeuwen en in de Romantiek
veel navolging. Middeleeuwse
alchemisten als Nicholas Flamel
(15e eeuw), Heinrich Cornelius
Agrippa (1486-1535) en Paracelsus
(1493-1541) waren een
waar hoogtepunt in het holistisch
denken. Natuurlijk kent iedereen
de legendes rond de ‘Steen der
Wijzen’. Alles wat deze steen aanraakt,
verandert in goud. Toch is
dit niet het hele verhaal. De oude
alchemisten waren geen strikte
chemici zoals we die nu kennen.
Pas met de Verlichting en het
Rationalisme werden de diverse
wetenschappen netjes van elkaar
gescheiden. In de Middeleeuwen
waren geleerden én filosoof én
theoloog én bijvoorbeeld chemicus.
De Engelse benaming voor
de Steen der Wijzen is in deze zin
ook duidelijker: The Philosopher’s
Stone. De Middeleeuwse alchemisten
waren op zoek naar verlichting,
naar geestelijke ‘veredeling’.
En omdat alles met alles te
maken heeft, is het proces van het
veredelen van metalen in principe
hetzelfde als het veredelen
van de menselijke ziel.
Later speelt de alchemie nog een
belangrijk en terugkerend motief
in de Romantiek. De bekendste
voorbeelden hiervan zijn Mozart’s
Die Zauberflöte en Goethe’s Faust.
Beide werken beschrijven een ‘alchemistisch huwelijk’ tussen
verschillende tegengestelde karakters
en elementen als metafoor
voor de geestelijke opgang van de
menselijke ziel tot het goddelijke.
Kunstschilders als Ferdinand Victor,
Eugène Delacroix en Max
Beckman en musici als Robert
Schumann, Hector Berlioz, Charles
Gounod en Ferruccio Busoni
geïnspireerd door het werk van
Goethe.
Bron: Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Centraal Weekblad.
PAO-cursus 'Esoterisch Christendom' Frank G. Bosman is cursusleider van de postacademische lezingencyclus 'Esoterisch Christendom' van het Theologisch Instituut Luce (Utrecht). Tevens verzorgt hij het vierde van de vijf colleges: 'Een Hang naar Romantiek'.
Website Esoterisch-Christendom.nl Op de website Esoterisch-Christendom.nl is een ander voorproefje van Bosman te lezen. Hitler, Himmler, SS-ers, occultisme en het spel Wolfenstein.
|