|
Hoe ver reikt onze godsdienstvrijheid?
Katholiek Nieuwsblad, 06-07-01
Opmerkingen van imam El Moumni over homoseksualiteit, gewetensbezwaren van een ambtenaar van de burgerlijke stand in Leeuwarden en een hoofddoekje bij de rechtbank in Zwolle. Hoe verhoudt zich artikel 6 van de Grondwet (godsdienstvrijheid) tot artikel 1 (discriminatie)?
Een vijftal jaren geleden stapte een rooms-katholieke vrouw naar de rechter omdat de priesteropleiding in Den Bosch haar weigerde te accepteren als studente. Zij deed een beroep op artikel 1 van de Grondwet: het non-discriminatiebeginsel. De opleiding en haar verantwoordelijke bisschop deden echter een beroep op de godsdienstvrijheid, die hun toestaat eigen opleidingen in te stellen met eigen regels. Een r.-k. priesteropleiding neemt geen vrouwen aan aangezien de opleiding specifiek en exclusief opleidt tot de priesterwijding en de katholieke Kerk wijdt nu eenmaal alleen gedoopte mannen. Aldus het bisdom. De rechter oordeelde in het voordeel van de bisschoppelijke priesteropleiding. Hij liet dus in deze de godsdienstvrijheid boven het non-discriminatieprincipe gaan. Het ging namelijk volgens de rechter om een zaak binnen het r.-k.-'kerkgenootschap'. 'Kerkgenootschap' is de juridische term voor religieuze groepering. En omdat het hier een binnenkerkelijke aangelegenheid betrof, maakte de rechter gebruik van het 'recht' of van de 'traditie' binnen de specifieke kerk. In het geval van de r.-k. Kerk was dat het Canoniek Wetboek.
Homo en Kerk
Zo is er echter ook de zaak van de pastoraal werker in dienst van een bisdom die er openlijk voor uitkwam dat hij praktiserend homoseksueel was. Het bisdom had hem hierom ontslagen. De pastoraal werker voelde zich gediscrimineerd. Het bisdom stelde dat het het recht had de pastoraal werker te ontslaan wegens zijn levenshouding die voor het bisdom uit geloofsovertuiging niet aanvaardbaar was. De rechter stelde het bisdom in het ongelijk. Het bisdom kon hier geen beroep doen op de godsdienstvrijheid, omdat deze zaak een verhouding werkgever-werknemer betrof. Het ging hier om ontslagrecht en niet om godsdienstvrijheid, aldus de rechter. En een werkgever mag niet discrimineren op grond van seksuele voorkeur of geaardheid. Vanwege deze afweging kreeg de ontslagen werknemer het gelijk aan zijn kant en moest het bisdom een ontslagpremie ophoesten.
Homohuwelijk
Ook de 'zaak Leeuwaarden' verdient hier genoemd te worden. Een ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde vanuit haar geloofsovertuiging twee mannen te trouwen. De gemeente Leeuwaarden stelde echter dat haar ambtenaar hiermee discrimineerde op seksuele geaardheid. De gemeente wil daarom de arbeidsrelatie verbreken. In dit geval: haar contract niet meer verlengen. De ambtenaar stapte naar de rechter. De uitslag van de gerechtelijke procedure is echter redelijk voorspelbaar. Als de ambtenaar haar ontslag wil aanvechten met een beroep op de godsdienstvrijheid, zal de rechter oordelen dat in dit geval het non-discriminatieprincipe voor gaat. Dit is namelijk niet een binnen-kerkgenootschappelijk conflict. Want de ambtenaar is een vertegenwoordiger van de staat. En als vertegenwoordiger van de staat mag zij niet onderscheiden in de uitoefening van haar ambt. Toch kan zij haar zaak wel winnen via het ontslagrecht. Dat zal de rechter wel honoreren.
Duidelijk patroon
In deze geschetste cases tezamen met nog behoorlijk veel vergelijkbare jurisprudentie is een duidelijk patroon te onderscheiden in de uitspraken van de rechters. Als een afweging gemaakt moet worden tussen de godsdienstvrijheid en het non-discriminatieprincipe, dus tussen artikel 6 en 1 van de Grondwet, dan zal de rechter proberen te bepalen of de zaak binnenkerkelijk (binnen een kerkgenootschap) is of niet. Zodra de zaak strikt binnenkerkelijk is, zal het oordeel uitvallen ten gunste van de godsdienstvrijheid. Zodra de zaak strikt binnenkerkelijk is, zal het oordeel uitvallen ten gunste van de godsdienstvrijheid
De rechter zal dan gebruikmaken van een kerkelijk rechtssysteem (in het geval van de r.-k. Kerk), en als dat er niet is (in het geval van bijvoorbeeld de protestante Kerken), van een algemeen heersende traditie. Dit was het geval bij de vrouw die toegelaten wilde worden op de priesteropleiding. Maar zodra de zaak ook maar gedeeltelijk buitenkerkelijke trekken heeft, zoals bij het ontslagrecht in de twee laatste cases, zal de rechter in het kader van bijvoorbeeld het ontslagrecht oordelen ten gunste van het non-discriminatieprincipe.
Hoofddoekje
Een afgeleide zaak van het hierboven beschrevene is die van de Zwolse rechtbank. Een vrouwelijke rechtenstudent solliciteerde bij de Zwolse rechtbank naar de positie van hulpgriffier. Zij gaf hierbij aan dat zij tijdens haar werkzaamheden in de rechtszaal haar hoofddoek zou dragen. De Zwolse rechtbank heeft haar hierom niet aangenomen. De studente heeft toen de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) gevraagd een advies uit te brengen. Zij voelde zich namelijk gediscrimineerd op grond van haar levensovertuiging, die volgens haar vereist dat zij een hoofddoek draagt. Hoewel de CGB zich in haar voordeel uitsprak, legde de rechtbank dit advies naast zich neer. De rechtbank legt er namelijk de nadruk op dat artikel 1 van de Grondwet wel stelt dat iedereen gelijk behandeld wordt, maar dan wel in gelijke gevallen. Er zou sprake zijn van discriminatie als de katholieke rechter wel duidelijk zichtbaar een kruisje zou mogen dragen en de overtuigd communistische aanklager een hamer en sikkel, maar deze rechtenstudente geen hoofddoek. Alle kleding die kan getuigen van enige vooringenomenheid is echter verboden in de rechtszaal, juist omdat voor de rechter iedereen gelijk behoort te zijn.
Samengevat kan gesteld worden dat een rechter bij binnenkerkelijke aangelegenheden de godsdienstvrijheid zal laten prevaleren, en bij buitenkerkelijke aangelegenheden het non-discriminatieprincipe. En als iemand zich beroept op het non-discriminatieprincipe ten opzichte van de godsdienst, dan zal de rechter alleen ten gunste van die persoon oordelen als het gaat om gelijke gevallen.
Nederlandse Grondwet
Artikel 1: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Artikel 6.1: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Artikel 6.2: De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Bron: Katholiek Nieuwsblad
|